Ierland

IerseVlagIn de zomer van 1995 trok De Wandelgek al treinend, bussend, fietsend en wandelend door Ierland. Hij werd gespot aan de Ierse westkust en aan de Ierse Oostkust. Per vliegtuig van Aer Lingus vloog hij vanaf Schiphol naar Dublin om van daaruit onmiddelijk per trein naar Galway in het westen van Ierland te reizen.

In het westen bezocht hij het stadje Galway, het karstgebied van The Burren ten zuiden van Galway en ook de beroemde Cliffs of Moher ook ten zuiden van Galway. Daarna het eiland Inishmore, dat tot de westelijk gelegen Araneilanden behoort en verder de ten noorden van Galway gelegen Connemara streek.

Vervolgens trok De Wandelgek naar Dublin, van waaruit hij ook nog het zuidelijk gelegen badIerlandplaatsje Bray bezocht.

De tocht door the Burren naar de Cliffs of Moher was een bustocht. De tocht naar de Aran eilanden ging per boot en op de eilanden huurde De Wandelgek een fiets om er rond te toeren. De tocht naar Clifden in de Connemara ging per bus en in Clifden huurde De Wandelgek een fiets om de omgeving een aantal dagen te verkennen. Ook maakte hij er een aantal mooie wandelingen, waaronder in het Connemara National Park..

De tocht naar Bray was een busreis.

Ierland (land)

Ierland (Iers: Éire, Engels: Ireland) is een Europees land dat ongeveer 80 procent van het gelijknamige eiland beslaat. De andere twintig procent van dit eiland bevat de staat Noord-Ierland, die tot het Verenigd Koninkrijk behoort.

Om het land van dat eiland te onderscheiden wordt het vaak aangeduid als de Republiek Ierland (Iers: Poblacht na hÉireann, Engels: Republic of Ireland). Deze aanduiding heeft sinds 1949 de status van officiële beschrijving van het land. De officiële, protocollaire naam is echter, sinds 1937, kortweg Ierland.

Het land telt 4.670.976 (2011) inwoners op een oppervlakte van 69.825 km² . In het noordoosten grenst de republiek aan Noord-Ierland, een deel van het Verenigd Koninkrijk, in het westen aan de Atlantische Oceaan, in het oosten aan de Ierse Zee en in het zuiden en zuidoosten aan de Keltische Zee en het Sint-Georgekanaal.

Het nationale symbool van Ierland is een Keltische harp, die ook op de Ierse euromunten afgebeeld staat. Maar ook wordt vaak de klaver (shamrock) gebruikt als nationaal symbool, onder meer door het nationale rugbyteam.

Geschiedenis

Na de onderdrukking van de Paasopstand (april 1916) begonnen Ierse vrijwilligers gegroepeerd in het Iers Republikeins Leger (Irish Republican Army, IRA) een guerrillastrijd tegen de Britten. De bezetting van Ierland door Groot-Brittannië werd onhoudbaar na het hoogtepunt van de gewelddadigheden met de The Burning of Cork in de nacht van 11 op 12 december 1920: nadat een compagnie van de Auxiliaries (divisie van Engelse ex-legerofficieren) in een hinderlaag van de Ierse vrijheidsstrijders was gevallen, brandde de bezettingsmacht grote delen van de stad Cork plat en schoten de Black and Tans (Engelse hulptroepen) inwoners zonder vorm van proces dood. Na jaren oorlog volgde er een wapenstilstand tussen de IRA en het Britse leger, met onderhandelingen als gevolg. Het zuidelijk deel van Ierland verkreeg praktisch onafhankelijkheid als Ierse Vrijstaat middels het Anglo-Iers verdrag op 6 december 1921. Noord-Ierland, waar veel protestantse migranten woonden die oorspronkelijk uit Schotland afkomstig waren en die loyaal bleven aan Groot-Brittannië, bleef Brits. Dit was niet enkel zo omdat hier meer protestanten woonden. Hier lagen en liggen nog steeds de belangrijkste havens van het eiland, Noord-Ierland was ook economisch het sterkste deel van het land. De Engelsen behielden daarmee het grootste deel van de economische ‘rijkdommen’ van het eiland.

De extremistische vleugel van de IRA onder Eamon de Valera weigerde echter akkoord te gaan met de ‘deling’ van Ierland in een Vrijstaat en een Brits Ulster. Het gevolg was een burgeroorlog tussen voor- en tegenstanders van de Vrijstaat. Uiteindelijk schikte Eamon de Valera in en legde hij zich neer bij de deling. Besprekingen tussen de Vrijstaat en Noord-Ierland in 1925 over een herziening van de landsgrens liepen op niets uit.

De Valera’s partij Fianna Fáil trad in 1927 toe tot de regering van premier William Cosgrave. In 1932 werd De Valera zelf premier en in 1937 verklaarde hij Ierland onafhankelijk, maar hij riep niet de republiek uit. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bleef Ierland neutraal, maar achter de schermen werden de geallieerden geholpen. Zo’n 70.000 man schreef zich vrijwillig in om in Europa met het Britse leger mee te vechten. In Ierland zelf werd aan het begin van de Tweede Wereldoorlog de noodtoestand uitgeroepen. In 1948 werd De Valera tijdens verkiezingen verslagen en in 1949 werd de Republiek Ierland uitgeroepen. In 1951 werd de Valera opnieuw minister-president en in 1959 president van de republiek. In 1972 werd de bijzondere rol van de rooms-katholieke Kerk bij referendum afgeschaft. Op 30 mei 1973 werd de protestant Erskine Childers president, gevolgd door Cearbhall Ó Dálaigh (1974-1976) en Patrick Hillery (1976-1990).

Met steun van de sociaaldemocraten werd Mary Robinson – een onafhankelijke kandidaat – in 1990 tot president gekozen. In 1997 werd Mary McAleese president, en in 2004 werd haar ambtstermijn met 7 jaar verlengd. Er hadden zich voor de verkiezingen geen tegenkandidaten gemeld. Op 28 oktober 2011 werd Michael Higgins verkozen tot de nieuwe Ierse president.

Ierland is sinds 1973 lid van de Europese Unie, maar is geen lid van de NAVO.

Geografie

De republiek Ierland heeft een oppervlakte van 69.825 km² en beslaat ruim 80 procent van het eiland Ierland, dat het deelt met Noord-Ierland. De grens met het Verenigd Koninkrijk (Noord-Ierland) heeft een lengte van 360 km. Het eiland Ierland ligt in Noordwest-Europa, in de noordelijke Atlantische Oceaan.

De Ierse westkust bestaat grotendeels uit klipkusten, heuvels en laaggebergte. Het hoogste punt is de berg Carrauntoohil (1038 m) in het zuidwesten van het land. Het binnenland is relatief vlak en wordt doorsneden door rivieren, zoals de Shannon, met 386 km de langste rivier van het land, en meren.

Naast het gelijknamige eiland omvat de staat Ierland ook enkele andere eilanden en eilandgroepen. Het grootste is Achill Island. Andere zijn de Araneilanden, de Blasket-eilanden, Cleareiland, Inishbofin, de Skellig-eilanden en Valentia.

Vijf Ierse plaatsen hebben de status van stad, dit zijn ook de grootste plaatsen van Ierland. De hoofdstad Dublin (Iers: Baile Átha Cliath uitgesproken ongeveer als: baai ah-ha kliea) is ook veruit de grootste stad van het land. De andere plaatsen met de status van stad zijn Cork (119.418 inwoners in 2006), Galway (72.414), Limerick (52.539) en Waterford (45.748).

Demografie

Tussen 1850 en 1950 daalde de Ierse bevolking van zeven miljoen tot minder dan drie miljoen, onder meer door de nasleep van de “Grote Hongersnood”, waarbij miljoenen Ieren stierven van de honger of emigreerden. Intussen zijn er weer 4,2 miljoen Ieren.

Ierland (eiland)

Ierland (Engels: Ireland, Iers-Gaelisch: Éire, Ulster-Scots: Airlann) is het op twee na grootste eiland van Europa, en wordt voornamelijk omringd door de Atlantische Oceaan, behalve aan de oostzijde van het eiland, waar de Ierse Zee ligt. Het eiland ligt ten westen van het eiland Groot-Brittannië. Ten zuiden van Ierland bevindt zich de Keltische Zee, maar dit is een deel van de Atlantische Oceaan.

Geografie

Het eiland bestrijkt een oppervlakte van 84.421 km². Het werd door de Romeinen Hibernia genoemd, wat “land van de eeuwige winter” betekent. Het meet 485 kilometer van noord naar zuid en 275 kilometer van oost naar west. De lage landen in het midden worden omringd door bergachtige gebieden. De rivier de Shannon loopt van noordoost naar zuidwest en is de langste rivier van het eiland. Het grootste meer is Lough Neagh.

Staatkundig gezien is het eiland onderverdeeld in:

  • het land Ierland met hoofdstad Dublin
  • het land Noord-Ierland met hoofdstad Belfast, dat deel uitmaakt van het Verenigd Koninkrijk

Ierland vormt het grootste deel van het eiland, terwijl Noord-Ierland de noordoosthoek in beslag neemt.

Er wordt vaak gezegd dat het eiland deel uitmaakt van de Britse Eilanden. Veel mensen, voornamelijk uit de Republiek, nemen aanstoot aan deze naam, die suggereert dat het eiland bij Groot-Brittannië hoort. Daarom wordt ook de neutrale term Islands of the North Atlantic (IONA) gebruikt, en Groot-Brittannië en Ierland voor het geheel.

Geschiedenis

De onderverdeling van het eiland in het noorden en de republiek is een relatief recente ontwikkeling, die pas in de jaren 20 van de 20ste eeuw tot stand is gekomen. Het eiland zelf is al 9000 jaar bewoond. De vroegste tekenen van cultuur zijn te vinden in de vorm van Newgrange, een megalithische grafkelder die dateert uit circa 4000 voor Christus. De Ierse taal, het Iers-Gaelisch, kwam met de Kelten in de laatste eeuwen voor Christus. Er is bijna niets bekend van de talen die daarvoor werden gesproken. In de 5e eeuw werd het land bekeerd tot het christendom met volgens de traditie Sint-Patricius als de centrale figuur. Het werd vervolgens een centrum van christelijke leer. Hieraan kwam grotendeels een einde toen de Vikingen in de 9e eeuw het land binnenvielen.

In 1172 nam koning Hendrik II van Engeland bezit van Ierse landerijen, en vanaf de 13e eeuw werden er ook Engelse wetten geïntroduceerd. In eerste instantie was de Engelse overheersing beperkt tot een gebied rond Dublin dat bekendstond als de Pale, maar dit breidde zich in de 16e eeuw uit met de uiteindelijke instorting van de Gaelische sociale en politieke superstructuren aan het eind van de 17e eeuw. Vanaf die tijd werd de Britse invloed steeds groter, en daarmee nam ook de Engelse taal de overhand. Met de tijd groeide er een beweging om het Britse gezag af te schudden, zodat Ierland weer onafhankelijk kon worden. Verschillende conflicten en oorlogen tegen de Britten leidden uiteindelijk tot onafhankelijkheid voor 26 (zuidelijke) van de 32 graafschappen, met de oprichting van de Ierse Vrijstaat in 1922. De zes noordelijke graafschappen bleven bij de Britten horen, omdat daar veel afstammelingen van voormalige Britse kolonisten woonden. In 1949 ging de Ierse Vrijstaat een stap verder en werd een volledig onafhankelijke republiek.

Meer recent heeft het Goede Vrijdag-akkoord van 10 april 1998 in Noord-Ierland (de noordelijke zes graafschappen) een soort machtsverdeling gebracht, waardoor de Unionisten, die willen dat Noord-Ierland bij het Verenigd Koninkrijk blijft, en de Nationalisten, die Noord-Ierland met Ierland willen herenigen, samen het land besturen. De macht die door de overeenkomst werd gegeven is gelimiteerd, en is een paar keer bijna verbroken. De politieke toekomst van Noord-Ierland blijft onzeker.

Op een aantal gebieden opereert het eiland als eenheid. Het Iers rugbyteam bijvoorbeeld heeft spelers uit zowel het noorden als het zuiden, en de Irish Rugby Football Union organiseert de sport aan beide zijden van de grens. Het Iers cricketelftal verenigt ook het noorden en het zuiden. Tijdens het wereldkampioenschap cricket 2007 bereikte het de achtste plaats. Gaelic football is de populairste sport op het eiland, en wordt gespeeld op basis van een All Ireland-indeling. Ook in hurling, een andere traditioneel Ierse sport, doen teams mee uit alle 32 graafschappen van het eiland. Beide sporten worden georganiseerd door de Gaelic Athletic Association (GAA), die zijn hoofdkwartier in het Croke Park-stadion in Dublin heeft. Ook boksen wordt eilandbreed gereguleerd door de IABA. Voetbal daarentegen is binnen iedere staat apart georganiseerd, met in Noord-Ierland de Irish Football Association en in het zuiden de Football Association of Ireland. De grote religies, de rooms-katholieke Kerk, de Church of Ireland en de presbyteriaanse kerk in Ierland zijn allen eilandbreed georganiseerd.

Ierland behoort tot de Europese Unie sinds 1 januari 1973. Zowel de Republiek als Noord-Ierland, als deel van het Verenigd Koninkrijk, sloot zich op dat moment aan. De republiek Ierland is daarnaast ook lid van de Europese Economische en Monetaire Unie, en heeft als zodanig sinds 1 januari 2002 de euro als wettig betaalmiddel. In Noord-Ierland wordt het Britse pond (GBP) gebruikt.

Geschiedenis van Ierland

Er zijn niet veel landen in West-Europa waar de geschiedenis zo tastbaar aanwezig is als op het Ierse eiland. Het land is bezaaid met ruïnes en gedenktekens. De eeuwenlange strijd tussen de Keltische inwoners (overigens ooit ook kolonisten) en de groepen die later kwamen, Noormannen, Anglo-Normandiërs en voornamelijk Schotse protestanten heeft diepe sporen nagelaten. Het bestaan van twee aparte landen op het eiland kan alleen uit die strijd begrepen worden.

Prehistorie

De eerste menselijke bewoning van Ierland dateert van na de laatste ijstijd. Destijds waren Groot-Brittannië en Ierland nog verbonden met het Europese vasteland. Na het smelten van het vele ijs steeg de waterspiegel en werd Ierland een eiland. Vooral vanuit Engeland kwamen nieuwe bewoners – per boot – naar het eiland. De oudste archeologische vondsten zijn een prehistorisch fort en een kamp bij Mount Sandel.

Vanuit het Middellandse Zeegebied ontstonden volksverhuizingen die zich langzamerhand in westelijke richting uitbreidden om meer vruchtbare grond te zoeken. Rond 3000 v.Chr. bereikten de eerste Neolithische bevolkingsgroepen Ierland.

De Bronstijd begon in Ierland rond 2000 v.Chr. De eerste metalen voorwerpen waren nog van goud en koper, maar al snel leerde men brons te maken van een legering van koper en tin. Veel bronzen voorwerpen werden door heel Europa vanuit Ierland verspreid. Een nieuwe bevolkingsgroep arriveerde in Ierland: het klokbekervolk, genoemd naar de vorm van de bekers die ze maakten. Ze deden aan mijnbouw en brachten nieuwe religieuze gebruiken mee.

600 v.Chr-400 n.Chr: Kelten

Ondertussen was op het Europese vasteland de ijzertijd al begonnen en de La Tène cultuur verspreidde zich over een groot deel van Europa. Vanaf ca 600 v.Chr. kwamen de Kelten (volgens Lebor Gabála Érenn vanuit Spanje; volgens andere opvattingen vanuit Frankrijk, België en Zuid-Duitsland) Ierland binnen. Volgens de ‘Celtic invasion theory’ wisten ze tussen 100 v.Chr. en 100 na Chr. o.a. door hun ijzeren wapens en paarden de oorspronkelijke bevolking aan zich te onderwerpen en in korte tijd het hele land te veroveren. Tegenwoordig wordt er echter van uitgegaan dat het meer om een geleidelijke culturele invloed ging. Er zijn veel legenden over de Kelten en de Ieren zijn nog steeds trots op hun Keltische oorsprong. De Kelten spraken een Indo-Europese taal, de basis voor het Oudiers waaruit het Iers of Gaelisch is voortgekomen.

De Kelten leefden volgens het clansysteem in tuatha. Deze volken sloten zich rond het begin van onze jaartelling in los-vaste verbanden aaneen. Het Keltische volk was verdeeld in drie klassen: de áes dána (o.a. druïden, muzikanten, priesters en dichters), de vrijen en de onvrijen of slaven.

Er is een overvloed aan sages die in deze tijd gesitueerd zijn. De Runderroof van Cooley, in het Iers Táin Bó Cuailnge, is te zien als de Ierse variant van de Ilias. Het verhaal over de legendarische strijder Cú Chulainn maakt in ieder geval duidelijk dat belangrijke centra van de Ierse cultuur in deze periode lagen in de provincies Ulster en Connacht. Een belangrijke plaats uit de latere pre-Normandische periode, Tara, lag in Leinster.

Het land was opgedeeld in vele kleine koninkrijkjes, de tuatha. Daarboven waren nog hogere koningen, maar er was nimmer sprake van één koning over heel Ierland.

400-795: Het vroege christendom “Golden Age”

In 430 zond de paus de eerste christelijke missionaris, genaamd Palladius, naar Ierland. Zijn opvolger was de legendarische heilige Patricius of Saint Patrick (Padraig). St. Patrick werd bisschop van Ierland en zou later, als gevolg van het vele zendingswerk dat hij verrichtte, uitgroeien tot de nationale heilige van het land.

St. Patrick introduceerde de bisschoppelijke kerkhiërarchie in Ierland, waarbij de bisschop de belangrijkste kerkelijke functie bekleedde. Daarnaast stichtte hij vele kloosters en dat werden er zoveel dat de macht langzamerhand van de bisschop naar de kloosters verschoof. Kloosters werden de belangrijkste centra van geloof en opvoeding en er ontstond een uniek Iers systeem waarin monniken de macht hadden over de kerk. Steden, in de moderne zin van het woord, waren er in die tijd nauwelijks. St. Patrick’s Day (17 maart) is nu de nationale feestdag van Ierland. De klaver met drie bladeren (de Shamrock), aan de hand waarvan hij het mysterie van de Goddelijke Drie-eenheid heeft uitgelegd, is een van de nationale symbolen van Ierland. In de 5e eeuw werden de eerste Ierse documenten geschreven door St. Patrick. Door het werk van St. Patrick werd Ierland een bolwerk van de Latijns-christelijke beschaving, het betrad tevens ook een gouden eeuw. Ierland ontwikkelde zich tot een ‘eiland van heiligen en geleerden’.

Uit deze kloostertijd dateren ook een aantal zeer fraaie Evangeliehandschriften. De bekendste daarvan, het Book of Kells, is te zien in Trinity College in Dublin. De kloosters waren ook een opleidingsplaats voor de vele Ierse missionarissen die een grote bijdrage hebben geleverd aan de verbreiding van het christendom in West-Europa. De bekendste van die monnik-missionarissen zijn Sint-Brandaan en Sint-Columba. Die laatste is bekend als de eerste missionaris van Schotland.

Na de snelle verspreiding van het christendom en de stichting van de vele kloosters in Ierland en zelfs daarbuiten, brak een rustige periode aan van voorspoed die ook wel het Gouden Tijdperk wordt genoemd. De Ieren waren redelijk welvarend en het land was sinds het Stenen Tijdperk niet meer binnengevallen of geplunderd. Door de problemen op het vasteland van Europa (o.a. de volksverhuizing) vluchtten vele geleerden en kloosterordes naar Ierland, waardoor kunsten en wetenschap opbloeiden. De kunst van het schrijven en het illustreren bereikte een zeer hoog niveau. Doordat vanaf dat moment meer op schrift is gesteld, weten we vanaf deze tijd meer over de geschiedenis van Ierland.

Tegen het einde van de 8e eeuw was Ierland verenigd in taal, cultuur, religie en wetten. Toch was het land nog steeds verdeeld in vele kleine koninkrijken. Tijdens het Gouden Tijdperk waren er weinig conflicten tussen de verschillende koninkrijkjes. Er was een machtsevenwicht. Niet één van de machthebbers was in staat heel Ierland te overheersen of te verdedigen.

795-900: Vikingtijdperk

Aan de betrekkelijke rust en voorspoed van de Golden Age kwam een einde door de invallen van de Vikingen. Het Viking Tijdperk brak aan met de eerste invallen van Noorse schepen op het eiland Lambay (voor de kust van Dublin) rond het jaar 795. De volgende 40 jaar werden vrijwel alle kloosters langs de kust van Ierland geplunderd en vernield, maar de invallen bleven aanvankelijk beperkt tot de kuststreken. De kloosterlingen voelden zich bedreigd door deze Vikingen en bouwden bij de kloosters hoge torens met een ingang die ver boven de grond lag. De torens werden gebruikt als klokkentoren en als uitkijkpost.

In 837 arriveerden grote konvooien Noorse schepen en de Vikingen richtten permanente woonplaatsen in en handelsposten. Vanuit deze uitvalsposten werden nu ook die delen van Ierland geplunderd die tot dan gevrijwaard waren. Over de rivieren en meren drongen ze diep Ierland binnen. De Vikingen waren de stichters van de eerste steden in Ierland. Begonnen als handelshavens, kregen ze al gauw een grote invloed op de Ierse economie. Handel werd steeds belangrijker en voor het eerst werd er geld gebruikt in Ierland. Dublin werd de rijkste stad van de Vikingen en een belangrijk handelscentrum. In 870 maakte Olaf de Witte, een Noorse legerleider, van Dublin de hoofdstad van zijn kolonie.

900-1171: Hoge Koningen

Na verloop van tijd vermengden de Vikingen zich met de Ierse bevolking en waren ze even Iers als de Kelten. Ierland was op dat moment verdeeld in 7 provincies (Munster, Leinster, Connacht, Meath, Ailech, Airgialla en Ulster) en in ongeveer 100 tot 200 kleine koninkrijkjes die nogal in grootte en macht verschilden. Het land bereikte een soort van eenheid onder een Hoge Koning (Iers: Ard Rí) die theoretisch de macht had over de andere provinciale koningen. Er was sprake van steeds wisselende coalities tussen inheemse koningen en Vikingen. In 1002 zag koning Brian Boru, koning van Munster, zijn kans schoon om als ‘opperkoning’ over bijna het hele eiland te heersen. In tegenstelling tot zijn voorgangers was hij een politiek opperhoofd die leek op de feodale koningen zoals die zich op het Europese vasteland begonnen te manifesteren. Hij bouwde scholen, wegen en bruggen en zorgde voor rechtspraak.

In de slag bij Clontarf in 1014 versloeg koning Brian Boru de Vikingen. Brian Boru kwam in deze slag zelf om het leven. Deze slag maakte een einde aan de invloed van de Vikingen maar het wegvallen van koning Brian Boru had tot gevolg dat het land steeds meer verdeeld raakte en ten prooi viel aan onderlinge twisten. De provinciale koningen twistten om het hoge koningschap en bestreden elkaar uit vrees hun macht te verliezen.

Paus Gregorius VII zette een hervorming in gang. Dit hield de stichting van aartsbisdommen in, waaraan de Ierse kloosters, die tot dan toe een grote mate van zelfstandigheid hadden genoten, zich moesten onderwerpen. In 1152 kreeg de Ierse kerk tijdens de synode in het Schotse Kells haar eerste constitutie. Het eiland werd verdeeld in vier bisdommen. De aartsbisschop van Armagh werd de primaat. Deze situatie duurt voort tot op de dag van vandaag.

In 1155 droeg Paus Adrianus IV, de enige Engelse paus ooit, het oppergezag in Ierland over aan Koning Hendrik II van Engeland. Volgens deze pauselijke bul was de Engelse koning voor Ierland de plaatsvervanger van de paus (“Lord of Ireland”).

In werkelijkheid werd het oppergezag in Ierland nog steeds betwist door rivaliserende provinciale koningen en was er nog steeds een Hoge Koning.

Toen een van de laatste Hoge Koningen, Muirchertach MacLochlainn, nadat hij een eed had gebroken, vermoord en opgevolgd werd door Ruaidrí Ua Conchobair (Rory O’Connor), had dit tot gevolg dat zijn bondgenoot Diarmait Mac Murchada (Dermot McMurrough), koning van Leinster, zijn koninkrijk verloor aan Ua Conchobair. Mac Murchada vluchtte hierop naar Engeland en vroeg Hendrik II om hulp om zijn koninkrijk te heroveren. Hij kreeg toestemming van Hendrik om Normandische en Welshe troepen te rekruteren. In 1169 landde hij met Normandische, Vlaamse en Welshe troepen in Wexford en wist al snel zijn koninkrijk te heroveren. Met hulp van Richard de Clare, graaf van Pembroke, veroverde hij ook Dublin en Waterford. De Clare, bijgenaamd “Strongbow”, trouwde met de dochter van Mac Murchada en werd diens erfgenaam.

1171-1541: Anglo-Normandiërs en de Heerlijkheid Ierland

Hendrik II, vrezend voor een rivaliserend Normandisch koninkrijk in Ierland, nam het heft in eigen hand en viel in 1171, gesteund door de autoriteit van de bul Laudabiliter, het land binnen. Hendrik gaf zijn Ierse bezittingen, de Heerlijkheid Ierland, waaronder The Pale, aan zijn jongste zoon, Jan zonder Land. Toen deze onverwacht koning van Engeland werd viel de Heerlijkheid direct onder de Engelse kroon.

De Normandische baronnen hadden na de invasie de controle over een groot deel van het eiland, waaronder de hele oostkust. Door een aantal factoren, waaronder een verdeel-en-heerspolitiek van de Engelse kroon, die meer invloed wilde, het verdelen van domeinen in kleinere delen (zo werd Leinster in vijven gedeeld en ontstonden Kildare, Laois, Carlow, Kilkenny en Wexford) en de komst van de Zwarte Dood in 1348, werd hun invloed minder. Alleen The Pale stond nog steeds onder directe invloed van Engeland, daarbuiten namen veel Normandische heersers de Keltische gebruiken en taal over. Ze gingen bekendstaan als de Old English, soms Hiberniores Hibernis ipsis (“Ierser dan de Ieren zelf”).

1541-1801: Koninkrijk Ierland

De heerlijkheid Ierland bleef bestaan tot 1541, toen Ierland het Koninkrijk Ierland werd, een staat in personele unie met Engeland. Koning Hendrik VIII had zich in 1534 van de Rooms-katholieke kerk afgescheiden, en door de titel Koning van Ierland aan te nemen kon de kerk zijn titel Heer van Ierland, die immers door de paus aan de Engelse koning was toegekend, niet terugtrekken.

In de eeuw die daarop volgde herstelden de Engelse koningen geleidelijk hun gezag over heel Ierland (die ze tijdens de Rozenoorlogen grotendeels hadden kwijtgeraakt), door middel van zowel geweld als grootschalige kolonisatie door Engelse immigranten.

Het koninkrijk werd bestuurd door een gouverneur, de Lord Lieutenant of Ireland of Lord Deputy of Ireland, ook wel viceroy (onderkoning) genoemd. Het Ierse parlement, met een lagerhuis (House of Commons) en hogerhuis (House of Lords), zetelde in Dublin. Het Ierse parlementsgebouw uit 1729 was het eerste parlementsgebouw ter wereld dat speciaal voor dat doel was gebouwd.

Tot 1782 had het parlement weinig te zeggen, en Rooms-katholieken mochten geen parlementslid worden. Bijna alle macht in Ierland lag in handen van de gouverneur en zijn tweede man, de Chief Secretary for Ireland, die beiden altijd van Engelse of Britse adel waren.

De arme, voornamelijk Rooms-katholieke bevolking van Ierland werd bestuurd door een kleine protestantse, Iers-Engelse elite. Dit leidde tot gewelddadige conflicten, waaronder de opstanden in 1641, 1689-1691 en 1798.

1801-1927: Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland

Na de opstand van 1798 besloot de Britse regering om Ierland bij het Verenigd Koninkrijk te voegen, om zo de Ierse bevolking eerlijkere vertegenwoordiging in de regering te geven en verdere onrust te voorkomen. In 1800 stemde zowel het Britse als het Ierse parlement voor een Act of Union, die echter pas in 1801 in werking trad. Hierbij werd het koninkrijk samengevoegd met het Koninkrijk Groot-Brittannië om zo het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Ierland te vormen.

De Ierse maatschappij bestond in de 19e eeuw uit een kleine, protestantse, bovenlaag en een grote katholieke onderlaag. Er was nauwelijks een middenklasse. De leefomstandigheden van de onderklasse waren zeer slecht. In Dublin, na Londen de tweede stad van het Britse Rijk, was het niet ongewoon om met dertig tot veertig mensen een huis te delen.

Op het platteland waren de omstandigheden zo mogelijk nog slechter. De bevolking van Ierland was in de eerste jaren van de 19e eeuw explosief gegroeid. Het land was grotendeels eigendom van protestantse edelen, die vaak zelf in Engeland woonden. Hun voornaamste belang was een zo groot mogelijke opbrengst. Dat leidde tot een toename van de graanteelt, voornamelijk voor export naar Engeland.

De landarbeiders en kleine boeren teelden daarnaast voor eigen gebruik aardappelen. Naar schatting twee derde van de bevolking was in 1841 voor zijn dagelijkse voeding primair aangewezen op de landbouw, en dan met name op de aardappel.

Grote Hongersnood

In 1845 mislukte de aardappeloogst grotendeels vanwege een tot dan toe onbekende ziekte, de door de pseudoschimmel “Phytophthora infestans” veroorzaakte Aardappelziekte. Het jaar daarop mislukte de oogst volledig. Omdat de plattelandsbevolking nauwelijks alternatieven had, leidde dit tot een zeer ernstige hongersnood. In 1847 viel de oogst mee, met als gevolg dat voor het volgende jaar weer meer aardappelen gepoot werden. Toen in 1848 de oogst wederom compleet verloren ging was het drama compleet.

De precieze omvang van deze ramp, in Ierland aangeduid als the Great Famine is moeilijk vast te stellen. Naar schatting had Ierland in 1840 ongeveer 8 miljoen inwoners. In 1850 werd het inwonertal geschat op 6 miljoen. Het verschil zou voor de helft veroorzaakt zijn door sterfte, en voor de andere helft door massale emigratie. Deze emigratie was met name richting Amerika, waar Ieren met zogenoemde Coffin ships naartoe werden gebracht.

De hongersnood was een extra impuls voor het streven naar een gelijkere verdeling van het land. Voor veel Ieren was het ‘landvraagstuk’ van veel meer belang dan zelfbestuur of onafhankelijkheid.

In 1850 leidde dat tot de oprichting van een vereniging van pachters, Tenant Right League. Daarmee begon een periode die in het Engels wordt aangeduid als de ‘land war’.

Paasopstand

Na het unie-verdrag van 1800 ontstond in de 19e eeuw een streven naar zelfbestuur (home-rule). Grote leider van deze groep was Charles Stewart Parnell. Tot twee keer toe werd een wet voor zelfbestuur aangenomen door het Lagerhuis in Londen, maar beide keren sneuvelde het voorstel in het Hogerhuis. De dood van Parnell in 1891 beroofde de Ierse Partij van een krachtig leider, het perspectief op een eigen parlement in Dublin leek daarmee te verdwijnen.

Het gebrek aan politiek perspectief leidde tot een opbloei van de eigen cultuur. Een groep schrijvers rond W.B. Yeats en Lady Gregory zochten en vonden hun inspiratie in de oude Keltische mystiek. De Gaelic League werd gesticht mede met als doel de eigen taal, het Iers, te ondersteunen. Door het hele land werden nationale scholen opgericht waar Iers een verplicht vak werd. Op sportgebied werd de GAA, de Gaelic Athletic Association, opgericht die zich richtte op ‘klassieke’ Ierse sporten als Iers voetbal en Hurling.

Dit nieuwe nationalisme, vooral gegrond op de Ierse eigenheid, zorgde ook voor een opleving van de radicale stroming in de politiek. Sinn Féin werd in deze periode opgericht, maar was oorspronkelijk nog geen republikeinse partij.

Toch bleef de Ierse Partij de dominerende kracht. Toen in 1910 de liberalen in Engeland aan het bewind kwamen met steun van de Ierse Partij leek zelfbestuur opeens toch binnen handbereik. Door een wijziging in de verhouding tussen Lagerhuis en Hogerhuis kon het Hogerhuis zelfbestuur niet langer blokkeren, alleen nog vertragen.

In 1912 werd een wet aangenomen waarbij heel Ierland zelfbestuur kreeg. Die wet leidde tot groot verzet in de provincie Ulster, verzet dat overigens werd geleid door een Dubliner en in Engeland van harte ondersteund werd door de Conservatieve Partij. In het vooruitzicht van de naderende wereldoorlog durfde de Liberale Partij de protestanten in Ulster niet voor het blok te zetten. De Ierse partij moest lijdzaam toezien hoe gepraat werd over een aparte regeling voor het noorden van het eiland.

Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog betekende uitstel van het zelfbestuur. De leider van de Ierse Partij riep alle Ieren op om het Koninkrijk te helpen in deze zware tijden door dienst te nemen in het leger. Hoewel veel Ieren aan die oproep gehoor gaven, was er ook forse tegenstand, ook binnen de Ierse Partij. Die tegenstand was vooral te vinden in de paramilitaire afdeling van die partij, de Irish Volunteers.

Ook de republikeinen hadden een eigen militaire organisatie, de Irish Republican Brotherhood (IRB). De leiders van die beweging sloten zich ook aan bij de volunteers en volgden daarbinnen hun eigen agenda.

Een aparte rol speelde de kleine socialistische partij. Onder leiding van James Connolly probeerde deze partij de strijd voor onafhankelijkheid te combineren met de strijd voor een socialistische revolutie. Ook deze partij had een eigen militaire afdeling, de Irish Citizen’s Army.

Padraigh Pearse, de belangrijkste leider van de IRB, wist Connolly tot samenwerking te bewegen. Op 24 april 1916, Paasmaandag, gingen beide groepen over tot de bezetting van een aantal belangrijke panden in Dublin. Zij vestigden hun hoofdkwartier in het Hoofdpostkantoor (GPO) aan O’Connell Street. Pearse las daar de proclamatie voor waarbij de Republiek Ierland werd uitgeroepen.

Algemeen wordt aangenomen dat de leiders zelf wisten dat hun actie in militair opzicht kansloos was. De opstand was na zes dagen voorbij. Waarschijnlijk gokten de leiders er op dat hun actie voldoende zou losmaken om op korte termijn toch tot het gewenste doel te komen. De manier waarop de Engelsen reageerden, alle leiders (met uitzondering van Éamon de Valera) werden geëxecuteerd, heeft er zeker toe bijgedragen dat de opstand postuum heeft bereikt wat zij voor ogen hadden.

Verdeling

Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog was de Home Rule opgeschort. De Paasopstand had het verzet tegen die wet in Ulster alleen maar versterkt. Voor de protestanten betekende Home Rule: Rome Rule.

Bij de algemene verkiezingen in november 1918 werd Sinn Féin verreweg de grootste partij, zij behaalde 73 zetels, tegen 26 voor de Unionisten in Ulster. De oude Ierse partij werd vrijwel weggevaagd. De leden van Sinn Féin weigerden plaats te nemen in het parlement in Londen en vormden hun eigen parlement in Dublin: Dáil Éireann.

In de loop van 1919 werd het steeds onrustiger. Steeds vaker werden er aanslagen gepleegd op Britse doelen. De Britten reageerden daarop met vergeldingsacties door het inzetten van troepen: de beruchte Black and Tans. De gewelddadigheden bereikten een hoogtepunt met The Burning of Cork. In Ierland zelf staat deze periode bekend als de Ierse onafhankelijkheidsoorlog.

In 1920 nam het Britse parlement een wet aan waarbij het eiland in tweeën werd gedeeld. Het noorden kreeg eigen zelfbestuur en behield een nauwe band met Londen. In het zuiden kwam een eigen parlement in Dublin, waarbij Zuid-Ierland een status zou krijgen vergelijkbaar met Canada en Australië.

De verdeling van het eiland was voor veel Ieren onacceptabel. Ook de status, waarbij een band bleef bestaan met Londen, ging velen niet ver genoeg. De wet werd daarom niet geaccepteerd en de onrust groeide uit tot een ware onafhankelijkheidsstrijd.

In het voorjaar van 1921 brak bij een aantal kopstukken van Sinn Féin het besef door dat langs militaire weg hun doel niet bereikt zou worden. Dat leidde tot vredesbesprekingen die in december resulteerden in een verdrag.

Door dat verdrag werd het zuiden de facto onafhankelijk, de Vrijstaat, hoewel er in naam een band met Londen bleef bestaan. Het verdrag betekende echter ook dat het zuiden akkoord ging met de creatie van een protestantse staat Noord-Ierland waarin de grote katholieke minderheid bewust tot tweederangs burgers werd gemaakt.

1922-1949: Ierse Vrijstaat

De nieuwe staat kende een moeilijke start. Binnen Sinn Féin bestond grote tegenstand tegen het verdrag met Engeland. De tegenstanders van het verdrag onder leiding van Éamon de Valéra stichtten een eigen partij: Fianna Fáil. Het geschil liep zo hoog op dat feitelijk gesproken kan worden van een burgeroorlog. Eén van de voornaamste slachtoffers was Michael Collins een veteraan van de Paasopstand.

Militair gezien kon de anti-verdragspartij de strijd niet winnen, politiek gezien echter wel. Fianna Fáil is sindsdien altijd de grootste politieke kracht in de Vrijstaat, en later de Republiek geweest. Partijleider De Valera zou van 1932 tot 1948 onafgebroken de functie van Taoiseach vervullen.

1949-heden: Ierse Republiek

Hoewel Fianna Fáil zich zelf beschouwde als de meest republikeinse partij werd de Republiek in 1949 uitgeroepen door de coalitieregering onder John A. Costello. Daarmee werden ook formeel de laatste banden met Groot-Brittannië verbroken.

In 1973 werd Ierland lid van de Europese Gemeenschap.

Aan het eind van de jaren 1980 en in de jaren 1990 kende het land een sterke economische opleving, die onder andere te danken was aan economische hervormingen, investeringen van de EG en het einde van de problemen in Noord-Ierland The Troubles. Het fenomeen kreeg de naam Keltische tijger, in analogie met de opkomende economieën in Zuidoost-Azië, de Aziatische tijgers.

Als gevolg van de economische opleving kende het land van 1991 tot 2006 een totale bevolkingsgroei van ca. 700.000 (17%), voornamelijk door immigratie vanuit (Oost)-Europa en Azië. Tegelijkertijd stegen de huizenprijzen met een factor vier tot tien.

 

 

Share this blog on:
Facebooktwitter

or even better Follow Wandelgek on:
Facebooktwitter

Comments are closed.