Terug naar: Het Overzicht van etiketten

Op dit etiket vallen de naam Rowwen Heze en het logo erg op. Wat zit er achter die naam en wat houdt het logo in? De Limburgse dialect band Rowwen Heze kwam in 2005 met een eigen door Gulpener gebrouwen biertje op de markt, maar was zeker niet de eerste band die een bieretiket als marketing tool gebruikt. En wie was Rowwen Heze eigenlijk?

Op alle achteretiketten staan de verschillende bandleden.

Van Christiaan Hesen naar Rowwen Heze

Christiaan Hesen (Horst, 19 mei 1853 – Tegelen, 5 februari 1947) was een dorpsfiguur uit het Limburgse dorp America, die met name postuum legendarisch zou worden.

Hesen, die de bijnaam “Rowwen Hèze” droeg (vrij vertaald: ruige Hesen), was de zoon van dagloner Jan Hesen en diens vrouw Petronella Lucassen. Christiaan Hesen was een huiveringwekkende verschijning: stoppelbaard, krassende stem, een lege, rottende oogkas, gekleed in lompen bijeengehouden door ijzerdraad. Overmatig drankgebruik, kleine vergrijpen en kilo’s pruimtabak maakten zijn imago als ‘den rowwen Hèze’ (de lompe Heesen) compleet. Hij verhuisde na zijn huwelijk met de weduwe Maria Gertrudis Scheeres (1856-1896) naar het dorp America gelegen aan de rand van de Peel. Hij bouwde daar aan de rand van het dorp een hut van plaggen en afvalhout. Hesen verkeerde met zijn vrouw en vijf kinderen op het bestaansminimum en verdiende de kost met kortstondige gelegenheidsbaantjes. Als hij geen werk had vulde hij zijn etensvoorraad aan met gestroopt wild en opgegraven kadavers van gestorven vee. In 1896 overleed zijn vrouw, waarna zijn kinderen uit huis werden geplaatst omdat hun vader niet alleen voor hen kon zorgen. Zijn gammele onderkomen was gespreksstof voor de lokale gemeenteraad. Ondanks zijn drankmisbruik en kleine diefstallen was Hesen geen verschoppeling. Men dichtte hem paranormale krachten toe en met name voor het ‘wegbidden’ van pijn bij brandwonden, kneuzingen e.d. werd hij graag opgeroepen door zijn dorpsgenoten. Omstreeks 1920 trok de inmiddels bejaarde Hesen in bij zijn jongste dochter Nel en haar echtgenoot. In 1929 verhuisden ze naar Tegelen. Ook in Tegelen was Hesen al snel bekend als een ruwe klant die de dorpskinderen schrik aanjoeg door zijn verschijning en manieren. Hesen overleed ten huize van zijn jongste dochter in 1947 op 93-jarige leeftijd wat gezien zijn leefwijze een opmerkelijk hoge ouderdom was.

De mythevorming en romantisering rond hem die vermoedelijk al tijdens zijn leven op gang was gekomen vormde de inspiratie voor een lokale Americaanse band om zich, 38 jaar na de dood van Hesen, de naam Rowwen Hèze te geven. Het romantische beeld dat opgeroepen wordt van “den Rowwen Hèze” in hun gelijknamige lied als een man die vrijwillig en een met de natuur in de eenzame Peel leefde klopt niet echt met de werkelijkheid van Christiaan Hesens leven die beter als een levenslange strijd om te overleven gekenschetst kan worden.

De legende van Rowwen Hèze
Portret van een legendarisch dorpsfiguur

Rowwen Hèze leefde als een kluizenaar, at kadavers, stak geregeld de Peel in brand en joeg de kinderen de schrik op het lijf met zijn ene oog. Maar hij genas ook zieken door gebruik te maken van zijn paranormale gaven.

De Rowwen Hèze was ongeveer 1.75 meter groot en stevig gebouwd. Rond de kale kruin liet hij de haren lang groeien. Hij droeg altijd een stoppelbaard en vanuit zijn mondhoeken tot aan de kin tekenden zich twee strepen af, die de route van het zwarte tabakssap markeerden.

“Hij at elke week wel een pond pruimtabak en overal waar hij zat of stond, sprietste hij het sap in het rond. Als de mensen er wat van zeiden dan liet hij het sap door zijn stoppelbaard naar beneden in zijn open gulp drijven. Hij was een oude vieze kerel”

Zo omschreef Frans Litjens (1903-1981) zijn herinneringen aan oud-buurman Christiaan Hesen in 1979 voor medebewoners in het Horster bejaardenoord. Wat de zonderling een extra macaber tintje ga, was het ontbreken van zijn linkeroog. Het gezichtsorgaan was hij, volgens Frans’ broer Hand, verloren tijdens het werk op de bouw.

“Hij kreeg een vallende steen op zijn oog. Maar hij weigerde naar de dokter te gaan, zodat het oog wegzwoor. Je keek hem recht in de lege oogkas, wat erg akelig was”, herinnert de nog altijd in America woonachtige Hand (75) zich als de dag van gisteren.

De kleren van Christiaan waren altijd kapot. Hij moest zijn broek vastbinden met ijzerdraad, wilde hij het textiel op kunnen houden. En daarin zaten gaten die zo groot waren dat zij een onbelemmerd uitzicht op zijn geslachtsdelen boden, vertelt Hand.

Het onvermogen van Christiaan Hesen goed voor de kroost (Zeven Kinderen) te zorgen, zal in America niemand hebben verbaasd. Niet voor niets hadden de inwoners hem toen al omgedoopt to ‘de Rowwen Hèze’, de ruige Hesen. Een bijnaam die de kluizenaar alle eer aandeed.

Hand Litjens weet er alles van. ” Als hij ‘s morgens opstond, was het eerste dat Hesen deed in de put plassen. Uit diezelfde put haalde hij het water om te drinken. En hij waste zich nooit ofte nimmer. Die oude man was zo afschuwelijk vies…”

De bouwvallige plaggenhut vormde hoe langer hoe meer een steen des aanstoots voor de gemeente Horst. “Zij wist zich geen raad. Het liefst wilde de gemeente de Rowwen Hèze eruit zetten, maar dat durfde ze niet. En hem een huis midden in het dorp geven, durfde ze al helemaal niet”, weet Grad Poels (73) uit America.

Café Tabor aan de Veenweg, dat begin deze eeuw de deuren moest sluiten, bood soelaas. Wel vijftig Americanen versjouwden het geschraagde, planken gebouw in zijn geheel op houten rollen naar de Vossenheuvel. Die afgelegen plek was prima voor Christiaan, vond iedereen. De hut deed voortaan dienst als geitenstal.

Buurman

Veenarbeider Maan Litjens kocht in 1920 twee hectare grond in de buurt van de Zwarte Plak en betrok met vrouw en acht kinderen boerderij 81/c aan de Vossenheuvel. Zij werden de buren van Christiaan, die zo’n 110 meter verderop woonde. “Als buur kon je je echt geen betere wensen. Hij stond altijd voor je klaar”, meent Hand.

Regelmatig trok de Rowwen Hèze tijdens de herfst de Peel in met lucifers. Hij stak het oude buntgras dan aan, zodat hij in de lente vers, nieuw voer voor zijn geiten had. Hand: “Hij zei vaak: ‘De gebroeders van de Griendt (die op commerciële en grootschalige wijze turf staken) en ik hebben samen één grote wei”.

Frans Litjens ging slechts één keer zijn huis binnen. Uit noodzaak. “Toen we eens kattenkwaad hadden uitgehaald, werden we achterna gezeten door een boze boer met een riek. We konden bijna geen kant meer op en vluchtten bij de Rowwen Hèze naar binnen.”

Daar vond hij een dood varken op tafel. Naar later bleek het avondeten. “De Rowwen Hèze groef bij boeren dode beesten op die aan een of andere ziekte waren gestorven. Je mocht het bedorven vlees niet meer eten, maar hij at het wèl!”, schreef Frans.

Grad Poels herinnert zich dat hij soms dode hennen meenam die hij op de boerenerven vond. “Hij vrat alles op en hij zag er zo akelig en smerig uit dat ik altijd voor hem omliep. Zo was er geen tweede in America, bah nee. Maar hij legde niemand een strobreed in de weg”.

Ondanks zijn minder aangename voorkomen, kwamen er vaak mensen bij hem over de vloer. Zij deden dan meestal een beroep op Christiaans paranormale gave. Hij stelpte namelijk bloed, nam de pijn weg bij brandwonden en bood uitkomst als iemand zijn enkel of pols had verstuikt. Frans: “Als bij een boer een varken niet meer overeind kon, werd hij erbij gehaald. Dan maakte hij op dat varken overal kruisjes en zei dan weer met die akelige kraakstem: ‘Nou heeft hij nog net zo lang te leven als hij vantevoren had'”.

De vader van Grad Poels kwam tijdens het dorsen met zijn hand tussen de machine. “Hij bond een handdoek om het gekwetste lichaamsdeel en fieste naar de dokter. Maar onderweg ging hij eerst langs het huis van de Rowwen Hèze. En precies op dat moment stopte het bloeden”, vertelt Grad.

De hulp van deze ‘rouwdouw’ werd tevens ingeroepen bij een op handen zijnde bevalling, aldus Hand. “Als er iemand een kindje kreeg, moest de aanstaande vader de vroudvrouw van Horst halen met paard en wagen. Omdat de mensen in de Peel bang waren voor heksen en spoken, vroegen ze of de Rowwen Hèze meeging. Die was nergens bang voor.”

Van de kinderen keerde Nelke, met haar latere echtgenoot Willem Klinkenberg, terug op het nest. “Nelke was heel aardig en verzorgde zich ook goed. Van haar heb ik een keer een fiets gekregen, het was de eerste in America. Zij gaf me ook vaak snoepjes die ze van de bakker had gekregen”, zegt Hand.

Reichsmarken

De oude Hesen werkte bijna niet meer. Af en toe legde hij een lemen vloer aan in een stal, maakte hij een put of stak hij turf. De mensen kwamen naar hem toe om hun geiten te laten dekken door zijn bok. Zijn eigen geiten stonden in de hut, die was behangen met biljetten van 100.000 Reichsmarken die na de eerste wereldoorlog niets meer waard waren.

De Rowwen Hèze ging regelmatig naar de kerk, niet zozeer om te bidden als wel om later naar de kroeg te kunnen. In tegenstelling tot de andere inwoners van America was hij niet bereid pacht te betalen voor een plek in de kerk. Hesen kreeg de plaats voor niets van de pastoor, omdat hij anders wegbleef. Hand: “Na de hoogmis om tien uur ‘s morgens ging Hesen meestal naar het café van Heldens Grad of van Klaos Kennis. En als wij dan ‘s middags naar het lof gingen, vonden we hem vaak liggend in de slootkant. Met een flink stuk in de kraag.”

De kroegbazen hadden zo hun eigen problemen met de zonderling. Zo liet hij overal zijn sporen achter in de vorm van zwarte plekken van het tabakssap. Grad dacht de oplossing te hebben en kocht een kwispedoor. “De Rowwen Hèze dreigde erin te spugen. Toen Grad zei dat dat het bakje daarvoor bedoeld was, zei hij ‘Dat verrek ik’, en hij spuugde het sap in zijn eigen gulp.”, zegt Poels.

Dochter Nelke ging nooit naar de kerk. Op één keer na, met Kerst. De mis begon om vier uur ‘s morgens. Helemaal opgetut en op hoge hakken toog zij richting dorp. Door de regen was de route echter veranderd in een immense modderpoel, waarin ze om de haverklap bleef steken. “Ze vloekte toen de duivel uit de hel en ging weer terug” vertelt Grad. De vriend van Nelke, Willem, verdiende de kost door met zijn bokken langs de deur te gaan. Nelke werkte eveneens in de dienstverlenende sector, aldus Grad, “Zij was een publieke vrouw”.

Tien jaar oud was Grad Poels toen hij in 1929 het vertrek van Christiaan Hesen met eigen ogen zag. Hij verhuisde naar Tegelen, waar Nelke en Willem een woning aan de Middeltweg (nummer 1) hadden betrokken. “Een man uit Tegelen kwam met een paard en kar en laadde de wagen helemaal vol. Bovenop stond een grote grammofoon, waarop hij op zondagen wel eens muziek van Lou Bandy draaide. De Rowwen Hèze zat helemaal onder de luizen en vlooien”.

America verloor één van zijn meest legendarische inwoners, die op 93-jarige leeftijd (5-2-1947) in Tegelen overleed. De naam leeft nu nog voort doordat de inmiddels wijd en zijd bekende popgroep deze in 1985 uitkoos “vanwege de goede klank”, verklaart zanger Jack Poels van Rowwen Hèze.

Poels: “We wisten toen nog niets van de man. Pas later bleek dat hij verketterd werd om zijn akelige uiterlijk en eigenzinnige leefwijze. Maar de mensen deden wel vaak een beroep op hem als ze ziek waren. Kortom, een ruwe bolster, blanke pit. Iemand die immuun werd voor alles wat slecht was en bijna honderd jaar werd”.

[Bron: http://www.hephorst.nl/ROWWENH1.HTM]

De volgende tekst is afkomstig van de Rowwen Heze website:

‘lat meej mar drinke wat ik drink
lat ze mar proate oaver meej
lat ze mar zegge dat ik stink
dat giet vanzelf wal wir vurbeej’

Uit: het lied ‘Rowwen Hèze’

En dit is het bewuste lied dat op het album Station America is te vinden:

Wie wordt hier bezongen?
Christiaan Hesen

Geboortedatum
19 mei 1853

Woonplaats
Horst

Lengte
1 meter en 61 centimeter

Kleur ogen
grijs

Getrouwd met
Maria Gertruda Scheeres

Kinderen
3 dochters en 2 zonen

Beroep
dagloner

Overleden
5 februari 1947

Wie was de man naar wie de groep vernoemd is? Heeft hij eigenlijk wel echt bestaan en zo ja, berusten de verhalen die over hem verteld worden op feiten of zijn ze, al dan niet gedeeltelijk, verzonnen? De vraag of Rowwen Hèze echt heeft bestaan, is zonder veel moeite te beantwoorden. Als men eenmaal weet dat Rowwen Hèze de bijnaam was van de op 19 mei 1853 in Horst geboren Christiaan Hesen, is een aantal andere feitelijke gegevens over zijn leven vrij eenvoudig te achterhalen.

Zo was zijn vader, Jan Hesen, dagloner. Christiaan diende van 8 mei 1873 tot 21 mei 1874 als militair in het tweede regiment infanterie. Uit het lotingsregister van de lichting 1873 valt op te maken dat hij 1,61 meter lang was en een rond aangezicht, een hoog voorhoofd, grijze ogen, een dikke neus, een ronde kin en bruin haar had. Op 30 november 1883 huwde hij in Horst met de op 30 juli 1856 in Roggel geboren Maria Gertruda Scheeres. Waarschijnlijk kort daarna verhuisde  het echtpaar naar America, een op vijf kilometer van Horst gelegen gehucht aan de rand van de Peel dat toen juist tot ontwikkeling begon te komen. Tussen 1884 en 1893 kreeg het echtpaar drie dochters en twee zoons.

In 1896 overleed de echtgenote van Christiaan. Hij zou daarna nog tot 1929 in America blijven wonen. Aan het eind van dat jaar verhuisde hij samen met zijn jongste dochter Nel en haar echtgenoot Willem Klinkenberg naar Tegelen. Daar overleed Christiaan op 5 februari 1947 ‘s avonds om half twaalf op 93-jarige leeftijd.

Op het eerste gezicht is dit een leven als zoveel andere. Niets blijkt echter minder waar. Het succes van de band had tot gevolg dat in enkele recente publicaties ook de man naar wie ze vernoemd is, aandacht kreeg. Zelf bracht de band op de in 1993 verschenen cd Station America op tekst en muziek van Jack Poels een nummer uit over de persoon. Uit dit lied en in mindere mate uit de recente publicaties rijst het beeldop van een tot de verbeelding sprekende zonderling, die in de eenzaamheid van de Peel bewust zijn eigen leven leidde, niet afhankelijk van wie dan ook. De publicaties en het lied hebben met elkaar gemeen dat ze voornamelijk zijn gebaseerd op herinneringen en mondelinge overlevering en niet of nauwelijks op archivalia. Opzet van deze bijdrage is om op  basis van archiefonderzoek na te gaan of het bestaande imago van Christiaan Hesen aanpassing behoeft. Nadrukkelijk dient echter vermeld te worden dat dit archiefonderzoek niet uitputtend is. Wel biedt het meer dan voldoende aanknopingspunten voor een heuse biografie van Christiaan Hesen. Want zoveel is duidelijk: zijn opmerkelijke leven is het waard om tot in de kleinste details bestudeerd te worden.

De overlevering
Het beeld dat tot dusverre van Christiaan Hesen in de openbaarheid is gekomen, is voornamelijk gebaseerd op herinneringen van vier voormalige buurtgenoten: Bert Poels, Frans Litjens, Hand Litjens en Grad Poels.

Als kind maakte de angstaanjagende uiterlijke verschijning van de man een onuitwisbare indruk op hen. Bert Poels: ‘In zijn jonge jaren had hij bij het kappen van hout zijn rechteroog verloren en de lege oogholte, die altijd vol stof en ongedierte zat, joeg alle kinderen in de buurt schrik aan.’ Hand Litjens meent dat het om het linkeroog ging en dat Christiaan het niet verloor bij het kappen van hout maar door een vallende steen bij werk in de bouw, doet hier minder ter zake.
Feit is dat hij er niet mee naar een arts was gegaan, waardoor iedereen in een lege, zwerende oogkas keek. Hand Litjens herinnerde zich verder dat Christiaan altijd kapotte kleren droeg. Zijn broek werd opgehouden met ijzerdraad. Bovendien zaten er grote gaten in die een onbelemmerd uitzicht op zijn geslachtsdelen boden.

Uit de herinneringen van zijn buurtgenoten blijkt dat Christiaan bepaald geen fijnzinnig type was. Hand Litjens: ‘Als hij ‘s morgens opstond, was het eerste dat Hesen deed in de put plassen. Uit dezelfde put haalde hij het water om te drinken. En hij waste zich nooit ofte nimmer. Die oude man was zo afschuwelijk vies.’ Christiaan had de gewoonte om pruimtabak te kauwen en het tabakssap om de paar minuten met een flinke straal uit te spugen. Als iemand daar iets van zei, liet Christiaan het tabakssap door zijn stoppelbaard naar beneden drijven in zijn gulp. Volgens Bert Poels stonk hij zo verschrikkelijk dat in de kerk niemand naast hem wilde zitten. De levenswijze van Christiaan was bepaald onconventioneel.

Frans Litjens: ‘Rowwen Hèze groef bij boeren de dode beesten op die aan een of andere ziekte gestorven waren. Je mocht het vlees dan niet meer eten, maar hij at het wél.’Volgens Grad Poels nam hij soms dode kippen mee die hij op boerenerven vond. Bert Poels: ‘Hazen en konijnen die hij met zijn valstrikken in de Peel had gevangen, stopte hij eerst veertien dagen in de grond voordat hij het vlees gebruikte.’

Christiaan bewoonde aan de rand van de Peel een hut die was opgetrokken van heideplaggen. Frans Litjens kwam er eenmaal binnen. Hij trof geen deur aan maareen jutezak die voor de deuropening hing. In de hut lag geen vloer,maar gewoon zwart zand.

Volgens Grad Poels vormde de plaggenhut voor de gemeente Horst een steen des aanstoots: ‘Het liefst wilde de gemeente de Rowwen Hèze eruit zetten, maar dat durfde ze niet. En hem een huis midden in het dorp geven, durfde ze al helemaal niet. ‘Vast werk schijnt Christiaan niet te hebben gehad. Bert Poels: ‘Hij behoorde bij dat kleine groepje mensen uit de Peel, dat zich in de wildernis had teruggetrokken en niets moest hebben van de leefregels in de beschaafde wereld. Niemand kon precies zeggen waar deze mensen van leefden, maar er is er nooit een van honger gestorven. Ook de Ruwe Heezen vond in de Peel altijd wel iets dat hem smaakte.’ Frans Litjens herinnerde zich dat Christiaan voor anderen wel eens turf stak, een lemen vloer aanlegde of een put maakte. Ook liet hij zijn bok geiten van anderen dekken. Het weinige geld dat hij verdiende, ging op aan drank.

Hand Litjens: ‘Na de hoogmis om tien uur ‘s morgens ging Hesen meestal naar het café van Heldens Grad of van Kloas Kennis. En als wij dan ‘s middags naar het lof gingen, vonden we hem vaak liggend in de slootkant. Met een flink stuk in de kraag. ‘Bert Poels: ‘Menigmaal werd hij door veldwachter Snijders opgepakt wegens openbare dronkenschap en in het spuitenhuisje van de brandweer ingesloten om zijn roes uit te slapen.’

Hoezeer Christiaan ook afweek van de gangbare normen en waarden, volgens zijn voormalige buurtgenoten was hij geen verschoppeling. Bert Poels: ‘Ondanks alles hoorde ook de Ruwe Heezen bij de kleine gemeenschap van de Zwarte Plak.’ Hand Litjens: ‘Als buur kon je je echt geen betere wensen. Hij stond altijd voor je klaar.’ Grad Poels: ‘Hij legde niemand een strobreed in de weg.’ Dat hij niet verstoten werd, kwam mede omdat hij bloed kon stelpen, pijn bij brandwonden wegnam en uitkomst bood als iemand zijn enkel of pols had verstuikt. Bert Poels: ‘Als iemand een ongeluk had gehad op het land of zich thuis had verbrand, werd snel iemand naar de Ruwe Heezen gestuurd en geen minuut later was het slachtoffer van zijn pijn bevrijd.’ De hulp van Christiaan werd ook ingeroepen als er een bevalling op handen was. Hand Litjens: ‘Als er iemand een kindje kreeg, moest de aanstaande vader de vroedvrouw in Horst halen met paard en wagen. Omdat de mensen in de Peel bang waren voor heksen en spoken, vroegen ze of de Rowwen Hèze meeging. Die was nergens bang voor.’

Het Archief Onderzoek
De vier buurtbewoners die in grote mate verantwoordelijk zijn voor het bovenstaande beeld van Rowwen Hèze, zijn alle vier in de eerste twee decennia van de twintigste eeuw geboren. Omdat Christiaan in 1929 van America naar Tegelen verhuisde, betekent dit dat zij hem alleen hebben gekend tussen ruwweg zijn vijftigste en vijfenzeventigste levensjaar. Bovendien zijn hun herinneringen meer dan vijftig jaar na dato opgetekend.

Om te achterhalen of de periode waarin zij Christiaan gekend hebben, een logisch vervolg op of juist een breuk met de eerste vijftig jaar van zijn leven vormt, zijn we aangewezen op andere bronnen. Andere bronnen kunnen de beweringen van de voormalige buurtgenoten ook op waarheid toetsen. De suggestie van de buurtgenoten als zou Christiaan iemand zijn van twaalf ambachten, dertien ongelukken, lijkt niet ver bezijden de waarheid.

Bij de aangifte van de geboorte van zijn vijf kinderen wordt hij afwisselend aangeduid als dagloner, arbeider en akkerman. Vast staat dat hij ook in de (wegen)bouw als opperman heeft gewerkt. Volgens een kleindochter zou hij hebben meegeholpen bij de bouw van de lagere school (1888) en de kerk in America (1891). Aanwijzingen dat hij gedurende langere tijd vast werk heeft gehad, zijn er niet.

Dat Christiaan zo nu en dan stroopte om in het levensonderhoud van hemzelf en zijn gezin te voorzien, is evenmin onwaarschijnlijk. Verbaliseringen in 1874 en 1875 wegens overtreding van de jachtwet wijzen daar althans op. In 1875 werd hij voor dit strafbaar feit door de kantonrechter in Horst zelfs veroordeeld tot drie dagen hechtenis.

Het overmatig drankgebruik lijkt geen gewoonte die Christiaan pas op latere leeftijd ontwikkelde. Daarvoor zijn verschillende aanwijzingen. Zo bracht hij in 1878 in een dronken bui de tienjarige Petronella van Helden een vuistslag tegen het hoofd toe, waardoor het meisje met haar hoofd tegen een karrewiel viel. De arrondissementsrechtbank in Roermond veroordeelde hem voor dit feit tot drie dagen hechtenis, waarbij zijn dronkenschap als verzachtende omstandigheid werd aangemerkt. Uit 1882 en 1901 zijn verbaliseringen bekend wegens openbare dronkenschap. Een verder bewijs van zijn drankzucht is te vinden in de archieven van het burgerlijk armbestuur van Horst. Daaruit blijkt bijvoorbeeld dat Christiaan tussen 1898 en 1901 vanwege zijn drankmisbruik diverse malen ondersteuning genoot van deze weldadige instelling.

Indicaties dat de deplorabele woonomstandigheden van Christiaan geen fictie zijn, zijn er eveneens voldoende. De Nieuwe Venlosche Courant sprak over een ‘getimmer’ dat onbewoonbaar verklaard zou moeten worden. Raadslid G. van Daal meende stellig dat dit ‘vol ongecijfer’ zat. In 1910 verzocht de in Venray zetelende gezondheidscommissie de gemeente Horst de behuizing van Christiaan onbewoonbaar te verklaren. Het gemeentebestuur voelde er meer voor om de hut en de bijbehorende grond te verkopen, omdat Christiaan de koopsom van honderdtwintig gulden nog niet aan de gemeente betaald had. Aan herhaalde verzoeken om dit voorstel te bespreken met burgemeester J. Houba en wethouder J. Drabbels gaf Christiaan geen gehoor. Wethouder Drabbels ontleende hieraan de indruk dat Christiaan zijn hut niet uit eigen beweging zou verlaten en de gemeente hem er dus uit zou moeten zetten. Drabbels toonde zich hier geen voorstander van en stelde de gemeenteraad voor het krot opnieuw in steen op te bouwen op voorwaarde dat Christiaan het in eigendom aan de gemeente zou overdragen. De gemeenteraad en ook Christiaan gingen hier in 1911 uiteindelijk mee akkoord, hoewel raadslid X. Thomeer meende dat als Hesen een nieuwe oning zou betrekken, het binnen de kortste keren weer van hetzelfde laken een pak zou zijn. Thomeer zou daarin wel eens gelijk kunnen hebben
gehad, want het lijkt onwaarschijnlijk dat de herinneringen van zijn vier buurtgenoten alleen gebaseerd zijn op hun vroegste jeugd. Zeker is in elk geval dat Christiaan omstreeks 1920 is ingetrokken bij zijn jongste dochter Nel. Zij woonde met haar echtgenoot Willem Klinkenberg in een optrekje op de Vossenheuvel (gelegen aan de huidige Zwarte Plakweg) dat in een register van huisnummering als ‘planken hut’ omschreven werd.

Wat in de herinneringen van zijn buurtgenoten onderbelicht is gebleven, is het onvermogen van Christiaan om voor zijn gezin te zorgen. Toen zijn echtgenote in 1896 stierf, bleef hij alleen achter met vijf kinderen die in leeftijd varieerden van twee tot elf jaar. De opvoeding van vijf jonge kinderen, gecombineerd met de zorg voor het levensonderhoud, moet een verantwoording zijn geweest die hij niet aankon. Dit zou er in 1899 toe leiden dat alle kinderen uit huis werden geplaatst. Directe aanleiding tot deze ingrijpende maatregel was dat Christiaan zijn twaalfjarige dochter Anna Catharina Maria Hendrina en zijn tienjarige zoon Pieter Jan had aangezet tot het stelen van brandstoffen. In de winter van 1899 betrapte de in America gestationeerde veldwachter Hendrik Jozef Snijders de kinderen tot drie keer toe, twee keer bij het stelen van turf en een keer bij het stelen van twee palen uit de omheining van een weiland. Tegenover de veldwachter verklaarden de kinderen dat ze handelden in opdracht van hun vader. Hij stuurde hen er dagelijks op uit om brandstof weg te halen omdat hij niets te stoken had. Volgens Snijders leidde deze frequente diefstal tot vele klachten. Slechts zelden viel echter te bewijzen dat de kinderen van Christiaan de daders waren. Bovendien werden de diefstallen door de gedupeerden vaak verzwegen uit medelijden met Anna Catharina Maria Hendrina en Pieter Jan. Beide kinderen werden in Roermond in bewaring genomen. Voor de rechtbank verklaarden ze dat ze wel geleerd hadden dat stelen niet mocht, maar dat hun vader het hen niet verbood. Veldwachter Snijders voegde aan zijn eerdere verklaringen nog toe dat Christiaan mede omdat hij veel dronk slecht voor zijn kinderen zorgde. Aangezien beide kinderen nog geen zestien waren, ontsloeg de rechtbank hen van verdere rechtsvervolging, maar gelastte tevens dat ze tot hun achttiende in een rijksopvoedingsgesticht werden geplaatst.

Pieter Jan ging in mei 1899 naar een gesticht in het Overijsselse Avereest, Anna Catharina Maria Hendrina naar een gesticht in het Utrechtse Montfoort. De overige drie kinderen werden drie maanden later van hun vader gescheiden. Toen Pieter Jan na zijn achttiende weer bij zijn vader introk, zette Christiaan hem opnieuw tot stelen aan. Pieter Jan ontvreemdde spoorbielzen die zijn vader vervolgens gebruikte als brandhout. Ook repareerde hij er de vloer van zijn hut mee. Uit een getuigenverklaring van Johanna Mathilda Kleuskens blijkt dat Christiaan zijn zoon beloonde voor de diefstal. De vrouw had de vader althans eens tegen zijn zoon horen zeggen: ‘Dat is een mooie, voor ieder bils die gij thuis brengt, geef ik 3 sigaren.’ De rechtbank veroordeelde Christiaan wegens heling tot twee maanden gevangenisstraf. Met Pieter Jan zou het nog slechter aflopen. Nadat hij in 1912 een stuk bos in America in brand had gestoken, werd hij krankzinnig verklaard. Op 3 september 1912 verleende de arrondissementsrechtbank in Roermond machtiging om hem te laten opnemen in een gesticht. Na twee maanden in een inrichting in Medemblik te hebben doorgebracht, werd Pieter Jan eind 1912 overgebracht naar het Sint-Servatiusgesticht in Venray. Daar zou hij op 6 augustus 1918 komen te overlijden.

Evaluatie

gen gezeik gen probleem
of ik wat mier of minder neem
of wat zuj ik vandaag nog motte eate
ik heb alles bij de hand
mien eige zon mien eige land
miene boem mien wolke en mien sterre.

Als overlevering en archivalia één ding duidelijk maken, dan is het wel dat in bovenstaande regels uit het nummer van Rowwen Hèze over Rowwen Hèze, het leven van Christiaan Hesen sterk wordt geromantiseerd.

Men zou er uit op kunnen maken dat hij een idealist of vrijgevochten figuur was, die uit vrije wil voor een afwijkende levenswijze koos. Dat dit niet overeenkomstig de feiten is, tonen alleen al de herinneringen van zijn voormalige buurtgenoten. Hun beweringen worden ondersteund en zelfs versterkt door het archiefonderzoek en blijken geen fictie. De tragiek en dramatiek die het leven van Christiaan Hesen kenmerken, gaan in de herinneringen van zijn buurtgenoten echter enigszins schuil. De geraadpleegde archiefbronnen werpen hier een veel helderder lichtop. Gedurende zijn hele leven verkeerde Christiaan op de rand van het bestaansminimum. Dit vormt wellicht mede een verklaring voor het feit dat hij regelmatig kleine vergrijpen pleegde. Dat hij zijn toevlucht zocht in de drank en dat hij niet in staat was om voor zijn kinderen te zorgen, maakt zijn lot alleen maar triester. De enige die hem in het gareel schijnt te hebben kunnen houden, was zijn echtgenote. Het is immers opmerkelijk dat in de dertien jaar dat hij met Maria Gertruda Scheeres gehuwd was, er geen aanwijzingen zijn van excessief gedrag van Christiaan.

Bezien in een breder perspectief past het bestaan van Christiaan Hesen in het beeld dat H.H.J. Maas (1877-1958) in diverse romans heeft geschetst van het leven in de Peel omstreeks 1900. Maas trok ten strijde tegen de romantische voorstelling van het eenvoudige en vredige volksleven in de traditionele literatuur. In zijn romans over de Peel voeren schrijnende armoede, drankmisbruik, vechtpartijen, onderontwikkeling en ruwe omgangsvormen de boventoon. Voor de beschrijving van de hutten in zijn woonplaats door Karel van Leeuwen, de hoofdpersoon in Om de school, een roman uit den schoolstrijd (1913), zou de plaggenhut van Christiaan Hesen model gestaan kunnen hebben:

‘Er was geen vloer in die huisjes, de lage vertrekken hingen vol stank, stoelen ontbraken er, de mensen zaten er op kisten of een baktrog, het zag er alles vuil en vettig uit. Een walging steeg hem naar de keel, als hij de vieze slaapstee zag, met een hoop rommel en vodden als beddegoed, in een vertrekje vol vochtige, zwammerige, muffe lucht, van vee, veevoer, mest en vuil water, op de ‘voorstal’ of achter de ‘goot’. Het bedstro, dat er jaren bleef zitten en door de muizen was kort geknabbeld, was door vocht en onder de lijvenzwaarte gelegen tot een vaste massa. De ratten sprongen over het bed heen. De mensen zagen er even verslonsd uit, aten vies en spraken dom en ruw. Hij zag midden op de tafel een pot met eten staan, allen aten daaruit en praatten met volle kauwmonden over koeien en varkens.’

Deze beschrijving mag dan gefingeerd zijn, de trieste realiteit van het leven van Christiaan Hesen toont duidelijk aan dat er geen enkele aanleiding is het leven in de Peel van een eeuw geleden te idealiseren of te romantiseren.

[Bron: http://www.rowwenheze.nl/band/ons-verhaal/achtergronden/32-christiaan-hesen]

De Band

Begonnen als Engelstalig bandje uit de Peel is Rowwen Hèze in de afgelopen twintig jaar uitgegroeid tot een van de grote acts in de Nederlandse popmuziek. En dat alles met liedjes in het Limburgs dialect…

In 1992 beleefde de band een landelijke doorbraak met optredens op Pinkpop en de Amsterdamse Uitmarkt (gastmuzikanten Flaco Jimenez en Karin Bloemen). Beide concerten werden live op TV uitgezonden. Sindsdien speelde Rowwen Hèze nog eens twee keer op Pinkpop, maar ook op andere grote festivals, zoals Lowlands, Parkpop (Den Haag) en het Deense Roskilde. Verder trad de band op met het Metropole Orkest (1996) en verzorgde de opening van het Holland Festival (1998). Legendarisch zijn ook de samenwerking met Los Lobos in het programma PardisoLife! (1999), het optreden als support act van The Rolling Stones tijdens de Bridges to Babylon-tour (Landgraaf, 1999) en de uitverkochte concerten bij de afsluiting van de viering van het twintig jarig bestaan van de band in de Heineken Music Hall in Amsterdam (2006). En niet te vergeten de jaarlijkse ‘slotconcerten’, waarvoor fans van overal uit het land naar het Limburgse America trekken.

In het voorjaar van 1998 vloog Rowwen Hèze de oceaan over naar het Zuiden van de Verenigde Staten voor een zoektocht naar de roots van de Tex Mex onder de chicano’s en de nazaten van Duitse migranten. Leon Giesen legde deze bijzondere trip vast in de door de NPS herhaaldelijk uitgezonden documentaire ‘Van America helemaal naar Amerika’, die in 1999 werd onderscheiden met een Nationale Academy Award.

In al die jaren deed de band duizenden feesttenten aan met een repertoire waarin het geluid van de plaatselijke fanfare, rock, hoempamuziek en Tex Mex doorklinkt. Gaandeweg ontstond naast deze ‘feestkant’ van het Peelse gezelschap steeds meer belangstelling voor het andere gezicht van de band: dat van de melancholieke ballades, waarin de dingen uit het leven van alle dag zó worden bezongen dat daarmee een voor een ieder herkenbaar levensgevoel wordt uitgedrukt. Reden voor de band om vanaf 1997 ver weg van het feestgedruis in de zomerse tenten in de wintermaanden het theater op te zoeken.

Rowwen Hèze sleepte enkele prestigieuze popprijzen in de wacht. In 1993 kende de Stichting Conamus de band een Zilveren Harp toe, in 1999 gevolgd door de Gouden Harp. In haar rapport prijst de jury (bestaande uit vakbroeders) de band voor haar pioniersrol bij de herwaardering van de regiopop, en voor de geloofwaardigheid van zingen in eigen dialect. Jack Poels wordt geprezen om zijn teksten: ‘op een bijna poëtische manier verhalen ze van onopvallende, maar toch eigenlijk niet zulke gewone mensen uit de Peelse regio’. Ook blijkt de jury onder de indruk van het vakmanschap, het enthousiasme de vereenzelviging met het publiek en de eigenzinnige richting die de band in artistiek opzicht heeft gekozen. Eerder mocht Rowwen Hèze van de Nederlandse Toonkunstenaarsbond al de Gouden Notekraker ontvangen, dit vanwege haar voortdurende propaganda voor de levende muziek. Voorjaar 2007 wordt leadzanger Poels bij een door het Nationaal Popinstituut (NPI) georganiseerde verkiezing door collega-muzikanten uitgeroepen tot Beste Zanger van Nederland. In het jubileumjaar 2010 – Rowwen Hèze bestaat dan 25 jaar – mocht de band een Edison Oeuvreprijs Nationaal in ontvangst nemen.

[Bron en meer info: http://www.rowwenheze.nl/band/ons-verhaal/biografie]

Maar Rowwen Heze was niet de eerste “Nederlandse” band, die zich aan een biermerk bond.

Normaalbier

De Achterhoekse rockband Normaal haakte slim in op de bieromzet tijdens hun concerten door (al ver voor Rowwen Heze) te komen met hun eigen Normaalbier, dat door Grolsch werd gebrouwen. De omzet was extra hoog want:

“Standaard kocht je twee traytjes bier, ééntje voor de consumptie en de andere om de zaal in te gooien. Natte t-shirts overal… Prachtig.”

 

 

 

Zie ook: http://www.normaal.nl/

 

 

 

Leningrad Cowboy Red Beer

Maar ook Normaal had zijn voorgangers. De Finse formatie Leningrad cowboys, die tijdens de koude oorlog ook veel voor het Rode leger hadden opgetreden en ook vaak samen met het Rode Leger Koor, hadden al veel eerder hun Leningrad cowboy red Beer op de markt gebracht. De rock band werd qua uiterlijk zeer bekend door de absurd grote vetkuiven.

De band brengt vele albums uit waaronder deze parodie op de cubaanse  Buena Vista Social Club, de Buena Vodka Social Club.

Het etiket links is voorzien van de rode sovjet ster en enkele raketten uit het sovjet ruimtevaartprogramma.

 

Zie ook: http://www.leningradcowboys.fi/

 

 

Terug naar: Het Overzicht van etiketten