Indonesië – 2003

Flag_of_IndonesiaIn 2003 trok De Wandelgek over de Indonesische eilanden Java, Bali en Nusa Lembongan. De reis startte in Jakarta en ging van daaruit continu oostwaarts. Tijdens deze reis werd van kleine busjes, de trein, een veerboot en een gemotoriseerde catamaran gebruik gemaakt.

 

 

Indonesië, officieel de Republiek Indonesië (Indonesisch: Republik Indonesia), is een land gelegen in Zuidoost-Azië. Het land bestaat uit een archipel van 17.508 eilanden en is daarmee ‘s werelds grootste eilandstaat. Het land grenst direct aan Papoea-Nieuw-Guinea, Oost-Timor en Maleisië. Andere landen die Indonesië omringen zijn Singapore, Brunei, de Filipijnen, Australië en de door India bestuurde Nicobaren. De eilandstaat heeft een totale oppervlakte van 1.904.569 km². Met een populatie van 248.645.008 (2012) is het qua inwoneraantal het op drie na grootste land ter wereld en tevens het land met de grootste moslimbevolking, hoewel de islam geen staatsreligie is. Indonesië is een republiek met een gekozen parlement en een president. De hoofdstad is Jakarta.

De Indonesische archipel is al zeer lang een belangrijke handelsregio. Reeds in de 7e eeuw waren er handelsroutes tussen het koninkrijk Srivijaya en China. De geschiedenis van Indonesië is sterk beïnvloed door sterke machten van buitenaf die werden aangetrokken door de natuurlijke rijkdommen van Indonesië. Onder invloed van India floreerden het hindoeïsme en boeddhisme in de eerste eeuwen na Christus. Islamitische handelaren brachten de islam met zich mee en Europese machten bevochten elkaar om de handelsmonopolies in de specerijenhandel tijdens de tijd van de ontdekkingsreizigers. Uiteindelijk werd het land gedurende drieënhalve eeuw een Nederlandse kolonie. Indonesië verklaarde zich onafhankelijk na de Tweede Wereldoorlog. Sindsdien is de geschiedenis turbulent en die wordt gekenmerkt door natuurrampen, corruptie, afscheidingsbewegingen, democratisering en snelle economische veranderingen.

De Indonesische eilanden laten een zeer gevarieerd beeld zien wat betreft etniciteit, taal en godsdienst. De Javanen zijn de grootste en politiek gezien meest dominante etnische groepering. Als land heeft Indonesië een gemeenschappelijke identiteit verworven die vooral wordt gedefinieerd door de nationale taal, een moslimmeerderheid en een geschiedenis van kolonisatie en het verzet tegen die kolonisatie. Het Indonesische motto luidt Bhinneka Tunggal Ika (vrij vertaald; “Eenheid in diversiteit”). Echter, sektarisch geweld en separatisme zijn aan de orde van de dag en hebben tot bloedige confrontaties geleid, die de economische en politieke stabiliteit hebben ondermijnd.

Indonesië ligt in een geologisch actieve regio. Voor de kust van Sumatra via Java tot voorbij de Molukken loopt een subductiezone van de Soenda-breuklijn waar de Australische plaat onder de Eurazische plaat schuift. Dit veroorzaakt aardbevingen met vloedgolven en vulkanisme. De Toba, de Tambora en de Krakatau behoren tot de grootste en gevaarlijkste vulkanen op Aarde. Wegens het vulkanisme is op de meeste eilanden de vruchtbaarheid van de bodem zeer hoog wat samen met de hoge temperaturen en overvloedige hoeveelheid neerslag een hoge landbouwopbrengst en een hoge bevolkingsdichtheid mogelijk maakt. Indonesië heeft grote natuurgebieden en ‘s werelds op een na grootste biodiversiteit. Het land is rijk aan natuurlijke rijkdommen, al blijft armoede een belangrijk kenmerk van het huidige Indonesië.

Etymologie

De naam Indonesië is afgeleid van het Latijnse woord “indus”, wat “India” betekent, en het Griekse woord voor eiland, νήσος “nesos”.  De naam dateert uit de 18e eeuw, dus nog van voor de onafhankelijkheid van Indonesië. In 1850 stelde de Engelse etnoloog George Earl de term Indunesians (Indonesiër) voor als naam voor de bewoners van de Indische archipel. In dezelfde publicatie gebruikte zijn student, James Richardson Logan de term Indonesia (Indonesië) voor als synoniem voor de Indische archipel. Deze term werd echter niet door Nederlandse academici uit Nederlands Indië geaccepteerd. Zij gaven de voorkeur aan het gebruik van de namen Maleische Archipel, Nederlandsch Oost Indië, of kortweg Indie, de Oost en soms zelfs Insulinde. Vanaf 1900 werd het gebruik van de naam Indonesië gebruikelijker in academische kringen buiten Nederland en Indonesische nationalistische groeperingen namen de naam over in hun politieke geschriften.

Het woord Indonesië betekent letterlijk ‘Indische eilandengroep’. Het is als aardrijkskundige term dan ook verwant aan Melanesië, Micronesië en Polynesië. Pas in de twintigste eeuw is Indonesië een staatkundig begrip geworden. Spreekt men van Indonesië met betrekking tot het vroegere verleden, dan hanteert men een aardrijkskundig begrip waarvan de begrenzing niet hoeft samen te vallen met die van de hedendaagse Indonesische staat. Men zou er de hele archipel onder kunnen verstaan die tussen het vasteland van Azië en Australië gelegen is, van de Filipijnen in het noorden tot Timor in het zuiden en van Sumatra in het westen tot en met Nieuw-Guinea (Irian) in het oosten. Maar om historische redenen is het gebruikelijk de Filipijnen en de oostelijke helft van Nieuw-Guinea niet tot Indonesië te rekenen[10].

De naam Indonesië werd verder populair gemaakt door de Duitse professor Adolf Bastian die een bestseller schreef genaamd Indonesiën oder die Inseln des Malayischen Archipels, 1884-1894. De eerste Indonesische wetenschapper die de naam Indonesië hanteerde was Ki Hajar Dewantara, toen hij in 1913 in Nederland een persbureau opende genaamd Indonesisch Pers-bureau .

Geschiedenis

Fossiele resten van Homo erectus, ook bekend als de Javamens, bewijzen dat de Indonesische archipel al bewoond werd zo’n 2.000.000 tot 600.000 jaar geleden.[11] Austronesiërs die tegenwoordig het grootste gedeelte van de bevolking vormen migreerden vanaf Taiwan in zuidoostelijke richting. Ze bereikten Indonesië ongeveer 2000 voor Christus en verdreven daarbij de inheemse Melanesische bevolking richting het oosten. De ideale omstandigheden voor landbouw en de ontwikkeling van natte rijstbouw rond 800 v.Chr. zorgden ervoor dat dorpen, steden en kleine koninkrijken konden floreren rond de eerste eeuw v.Chr.. De zeestraten die in Indonesië zeer gunstig gelegen zijn, stimuleerde zowel de handel tussen de eilanden als wel de internationale handel. De handelsroutes met bijvoorbeeld de Indiase koninkrijken en China ontstonden reeds enkele eeuwen v.Chr.. Deze handel heeft sindsdien de geschiedenis van Indonesië sterk bepaald.

Vanaf de 7e eeuw floreerde het zeevarende koninkrijk Srivijaya als gevolg van de handel en de invloed van het Hindoeïsme en Boeddhisme dat hiermee geïmporteerd werden. Tussen de achtste en de 10e eeuw gingen de hoogontwikkelde landbouwbeschavingen van de boeddhistische Sailendra en hindoeïstische Mataram ten onder in de binnenlanden van Java. Ze lieten schitterende religieuze bouwwerken achter zoals de Borobudur gebouwd door de Sailendra’s en de Prambanan van de Matarams. Het hindoeïstische Majapahit koninkrijk ontstond op oostelijk Java in de late 13e eeuw en onder Gajah Mada reikte zijn invloed over het grootste gedeelte van Indonesië. Deze periode wordt ook wel de gouden eeuw van Indonesië genoemd.

Hoewel islamitische handelaren al sinds het begin van het islamitische tijdperk Indonesië bezochten, dateren de eerste aanwijzingen voor een islamitische populatie pas uit de 13e eeuw, toen een groot gedeelte van het eiland Sumatra zich tot de islam bekeerd had. Gelijkelijk namen steeds grotere gedeelten van Indonesië de islam over als geloof en tegen het eind van de 16e eeuw was het zowel in Java als Sumatra de dominantie religie. De islam overlapte en mixte met de reeds bestaande culturele en religieuze tradities, welke van hun kant ook weer de vorm van de islam bepaalden, vooral op Java.

De eerste groep Europeanen arriveerden in 1512. Portugese handelaren onder leiding van Francisco Serrão, probeerden de herkomst van de specerijen nootmuskaat, kruidnagel en peper te vinden en deze voor de internationale handel te beheersen.

Nederlands bewind

Al snel volgende de Nederlandse en Britse handelaren. In 1602 richtten de Nederlanders de Verenigde Oost-Indische Compagnie ook wel VOC genoemd, op en werd de belangrijkste Europese macht in de regio. Na het faillissement van de VOC in 1798, werd Indonesië onder de naam Nederlands Oost-Indië een nationale kolonie.

Tijdens het grootste gedeelte van de koloniale periode had Nederland slechts een lage mate van autoriteit in de gehele archipel. Pas aan het begin van de twintigste eeuw werd de Nederlandse dominantie uitgebreid, onder meer door wrede koloniale oorlogen zoals in Atjeh, tot aan wat heden ten dage de grenzen zijn van Indonesië. Nederland onderdrukte nationalisten onder meer door het inrichten van een concentratiekamp in Nieuw-Guinea, Boven-Digoel (vanaf 1926). Nederland ontwikkelde de landbouw sterk, onder meer door een gespecialiseerde opleiding voor tropische landbouw in Deventer, en wist naast de traditionele zeer winstgevende gewassen als peper en foelie ook veel te verdienen aan andere landbouwproducten zoals rubber en suiker. Indonesië werd een rijstexporteur van betekenis. Nederland ontwikkelde ook de oliewinning (Koninklijke Olie) en mijnbouw, waardoor Indonesië de 4de olieproducent ter wereld werd. De bevolking groeide van 1900 tot 1940 van 43 tot 70 miljoen mensen oftewel met bijna 65 procent.

Japanse bezetting

De Japanse invasie in 1942 verliep snel en de geallieerden verloren hier in twee weken tijd meer schepen en mensen dan de Amerikanen in Pearl Harbor, namelijk 24 met ruim 3500 man. De daaropvolgende bezetting van Nederlands-Indië maakte een eind aan het Nederlandse bewind en stimuleerde de tot dan toe onderdrukte Indonesische onafhankelijkheidsbeweging. Tijdens de Japanse bezetting werden vele Nederlanders – bijna 40% onder mensonterende omstandigheden – opgesloten in Jappenkampen en de Indiërs werden gedwongen als dwangarbeiders (Romusha’s) om mee te helpen met de Japanners. Dit viel echter in het niet bij de overige gevolgen van het beheer van de Japanners voor de Indonesische bevolking; de Japanners stichtten een terreurbewind met vele duizenden executies, niet zelden door onthoofding.

Door Japans (militair) wanbeheer ontstond in 1943 een grote hongersnood, die tot in 1944 en op sommige plaatsen tot de bevrijding duurde en volgens dr. L. de Jong 2,5 miljoen doden eiste, volgens anderen tot 4 miljoen. In de latere geschiedschrijving in Nederland kwam het leed van de Indonesische bevolking vrijwel niet aan de orde. De economie stortte feitelijk in en de grote productie van de voornaamste voortbrengselen zoals rubber, suiker, rijst, palmolie daalde drastisch.

Opmerkelijke Japanse projecten die tientallen duizenden levens hebben gekost zijn de Pakanbaroe-spoorweg (26.000 doden), de Birmaspoorweg (106.000 doden) en de slaventransporten op de zogenaamde helleschepen, waarbij de grootste scheepsramp uit de Nederlandse en Indonesische geschiedenis plaatsvond, die met de Junyo Maru, waarbij 5600 mensen verdronken. In de stad Pontianak op Kalimantan werden 1600 tot volgens sommigen 21.000 mensen door de Japanners omgebracht wegens vermeende deelname aan een anti-Japans complot, dat verzonnen bleek.

Onafhankelijkheidsstrijd en recente geschiedenis

Vele nationalistische sympathisanten kozen samenwerking met de Japanners. Twee dagen na de overgave van Japan op 17 augustus 1945, verklaarden de invloedrijke nationalistische leiders Soekarno en Hatta Nederlands-Indië onafhankelijk en Soekarno werd de eerste zelfbenoemde president van de Republiek Indonesië. Nederland verzette zich hiertegen en probeerde door middel van de zogenaamde “politionele acties” de onafhankelijkheid weer ongedaan te maken. Onder druk van de internationale gemeenschap erkende Nederland uiteindelijk in december 1949 de Indonesische onafhankelijkheid met uitzondering van Irian Jaya. Lange tijd werd in Nederland alleen de onafhankelijkheidsdatum van 27 december 1949 gehanteerd. Irian Jaya werd uiteindelijk na een tussenbewind van de Verenigde Naties in 1963 aan Indonesië overgedragen.

Soekarno veranderde na de onafhankelijkheid van een democraat in een autoritair leider en onderhield zijn machtsbasis door te balanceren tussen het leger en de Communistische Partij van Indonesië. Een poging tot een coup in 1965 werd verhinderd door het leger dat meteen daarop een anti communistische operatie begon. Tijdens deze operatie kreeg de CPI de schuld van de coup en de partij werd verpletterd door het leger. Tussen de 500.000 en 1 miljoen mensen werden gedood. Het hoofd van het leger, generaal Soeharto, maakte gebruik van de politieke zwakte van Soekarno en werd formeel tot president benoemd in maart 1968. Zijn regering van “nieuwe orde” werd ondersteund door de regering van de Verenigde Staten en dit stimuleerde de buitenlandse investeringen in Indonesië. Het gevolg hiervan was een stabiele economische groei voor meer dan 30 jaar. De “nieuwe orde”-politiek werd in Indonesië en internationaal sterk bekritiseerd vanwege de corruptie en de onderdrukking van de politieke oppositie.

Tijdens de Aziatische financiële crisis in 1997 en 1998 was Indonesië het land dat het hardst getroffen werd. Dit verergerde de ontevredenheid onder de burgers over de regering en uiteindelijk leidde het tot grootschalige protesten. Soeharto trad hierdoor uiteindelijk af op 21 mei 1998. In 1999 stemde Oost-Timor voor onafhankelijkheid van Indonesië. Dit gebeurde na een hardhandige 25-jarige militaire bezetting van het gebied, die slechts ten einde kwam na tussenkomst van de Verenigde Naties. Het tijdperk van de “reformasi” na het aftreden van Soeharto heeft tot nu toe geleid tot een democratischer politiek milieu, inclusief een programma voor regionale autonomie en de presidentsverkiezingen van 2004. Echter, politieke instabiliteit, sociale onrust en corruptie hebben het democratiseringsproces aanzienlijk vertraagd. Hoewel de relatie tussen de verschillende etnische en religieuze groeperingen over het algemeen harmonieus is blijft sektarische geweld in sommige gebieden een probleem. In 2005 werd er een politiek akkoord gesloten tussen de regering en de gewapende rebellen in Atjeh.

Geografie

Fysieke kenmerken

Indonesië ligt in Zuidoost-Azië, in de Indische Archipel, een eilandengroep die in totaal 20.000 tot 25.000 eilanden telt. Indonesië zelf bestaat uit 17.508 eilanden, waarvan er ongeveer 6.000 bewoond worden. De vijf grootste eilanden zijn Java, Sumatra, Kalimantan (op Borneo, gedeeld met Maleisië), Nieuw-Guinea (gedeeld met Papoea-Nieuw-Guinea) en Sulawesi. Landsgrenzen zijn er – door gedeelde eilanden – met Maleisië (Borneo), Papoea-Nieuw-Guinea (Nieuw-Guinea) en Oost-Timor (Timor); voorts zijn er zeegrenzen met Singapore, Maleisië, de Filipijnen en Australië.

De hoofdstad en grootste stad is Jakarta op het eiland Java. Enkele grote steden zijn Soerabaja (Java), Medan (Sumatra), Padang (Sumatra), Bandung (Java) Jogjakarta (Java), Denpasar (Bali). Het hoogste punt van het land is de bijna 4.900 meter hoge Puncak Jaya in de provincie Papoea. Indonesië bevindt zich in drie verschillende tijdzones : UTC+7, UTC+8 en UTC+9.

Landschap

Bossen zijn de oorspronkelijke begroeiing van Indonesië en bedekken nog steeds meer dan de helft van het land. In de eilandengroep groeit circa 140 miljoen hectare regenwoud, na Brazilië het grootste ter wereld. In de schaduw van de reusachtige bomen gaat een ongekende plantenrijkdom verscholen. Er wordt circa een miljoen hectare grond per jaar ontbost, omdat de bevolkingsgroei nieuwe landbouwgronden vereist. Verbranding van bomen om een stuk grond bouwrijp te maken, zoals door de Dajaks eeuwenlang toegepast, veroorzaakte weinig schade aan het bos, maar ontbossing door nieuwe bewoners richt daarentegen grote schade aan. Een verwoestend effect op de natuur heeft echter ook het feit, dat tropisch hout een belangrijke inkomstenbron is.

Flora en fauna

Door zijn afmetingen, tropische klimaat en doordat het een eilandenrijk is, bezit Indonesië na Brazilië ‘s werelds grootste biodiversiteit. De flora en fauna zijn een mix van zowel Aziatische als Australische soorten. Ooit was een groot gedeelte van de eilanden zoals Sumatra, Borneo en Bali verbonden met het Aziatische vasteland en ze bezitten daardoor een grote rijkdom aan Aziatische soorten. Grote diersoorten zoals de Sumatraanse tijger, Javaanse neushoorn, orang-oetan, Aziatische olifant en luipaard kwamen ooit oostelijk tot aan Bali voor. Tegenwoordig zijn zowel hun aantallen als hun leefgebied drastisch ineengekrompen. Het land wordt voor ongeveer 60% met bos bedekt. Op Kalimantan en Sumatra bestaat de begroeiing vooral uit Aziatische soorten. Op Java zijn de meeste bossen gekapt voor menselijke bewoning en voor landbouwdoeleinden. Sulawesi, Kleine Soenda-eilanden en Maluku zijn al sinds zeer lange tijd niet meer verbonden met het Aziatische vasteland en hebben een eigen unieke flora en fauna ontwikkeld.[17] Nieuw-Guinea was onderdeel van de Australische landmassa en daarom zijn de soorten op dat eiland sterk verwant met de Australische soorten, waaronder meer dan 600 vogelsoorten.

Indonesië is na Australië het tweede land wat betreft het percentage endemische soorten. Maar liefst 26% van de 1531 vogelsoorten en 39% van de 515 zoogdiersoorten is endemisch in Indonesië. De 80.000 km kustlijn van Indonesië wordt voornamelijk omringd door tropische zeeën die bijdragen aan de hoge biodiversiteit. Indonesië heeft een zeer grote verscheidenheid aan zee en kust ecosystemen, waaronder stranden, duinen, estuaria, mangrovebossen, koraalriffen, zeegrasvelden, moddervlaktes en getijdevlaktes.

De Britse wetenschapper Alfred Wallace, beschreef de scheidslijn tussen de distributie van Indonesische Aziatische en Australische soorten. De zogenaamde Wallacelijn, geeft de grens aan tussen de Aziatische en de Australische fauna. De lijn loopt grofweg noord-zuid langs de rand van het Australische continent tussen Kalimantan en Sulawesi en door de diepe straat van Lombok, tussen Lombok en Bali. Westelijk van deze lijn zijn de flora en fauna voornamelijk Aziatisch, oostelijk van Lombok neemt het percentage Australische soorten toe. In zijn boek uit 1869 genaamd The Malay Archipelago, beschreef Wallace een groot aantal soorten die uniek zijn voor deze regio die tegenwoordig soms ook wel Wallacea genoemd wordt.

De hoge populatiedruk en snelle industrialisatie zijn belangrijke bedreigingen voor de ecologie. Aan deze bedreigingen wordt in Indonesië slechts mondjesmaat prioriteit gegeven door de hoge mate van armoede en een ineffectieve overheid. Een van de belangrijke ecologische problemen is de grootschalige ontbossing (waarvan een groot gedeelte illegaal) en de daarmee gepaard gaande bosbranden die voor sterke smogvorming zorgen in grote gedeeltes van westelijk Indonesië, Maleisië en Singapore. Andere problemen zijn overbevissing en milieuproblemen die gepaard gaan met de snelle verstedelijking en economische ontwikkeling, zoals luchtvervuiling, verkeersopstoppingen, problemen met de afvalverwerking en drinkwater- en afvalwatermanagement. Vernietiging van hun natuurlijke habitat bedreigd een groot gedeelte van de inheemse soorten, waaronder 140 zoogdieren die door de IUCN geclassificeerd worden als bedreigd en 15 soorten die als zeer kritisch bedreigd worden geclassificeerd, waaronder de orang-oetan.

Klimaat

Indonesië heeft een tropisch klimaat. De gemiddelde jaartemperatuur ligt in het gehele land rond de 30 graden Celsius. Afhankelijk van de moesson kennen de meeste delen van het land een regentijd en een droge periode; alleen op Sumatra en Kalimantan is de neerslag over het gehele jaar vrij gelijkmatig verdeeld. In december, januari en februari regent het tussen Zuid-Sumatra en Oost-Timor.

Bevolking

De totale bevolking van Indonesië bestond in 2008 uit een geschat aantal van 237 miljoen inwoners. Alleen al op het eiland Java leven meer dan 130 miljoen Indonesiërs en het is daarmee het dichtstbevolkte eiland ter wereld.[24] Ondanks het bestaan van een redelijk succesvol familieplanning-programma dat al sinds de jaren ’60 in werking is, verwacht men dat de populatie in 2035 tot 315 miljoen zal groeien, gebaseerd op de huidige groeisnelheid van 1,25%.

Etnische groepen

De meeste Indonesiërs stammen af van Austronesiërs die afkomstig waren van Taiwan. Een ander groot gedeelte van de Indonesiërs stamt af van de Melanesiërs, die vooral in het oosten wonen. In geheel Indonesië worden ongeveer 300 afzonderlijke etnische groeperingen onderscheiden en worden er 742 verschillende talen en dialecten gesproken.

De grootste etnische groepering zijn de Javanen die 42% van de bevolking uitmaken en politiek en cultureel dominant zijn. De Soendanezen, de etnische Maleisiërs en de Madoerezen zijn de grootste niet-Javaanse etnische groeperingen. Kleine maar belangrijke groeperingen in Indonesië zijn de Chinezen (Chinese Indonesiërs), Indiërs, Europeanen en Arabieren, welke voornamelijk zijn geconcentreerd in stedelijke gebieden. Er is een zekere mate van nationaal gevoel, naast de sterk gecultiveerde regionale identiteit. De Indonesische gemeenschap is over het algemeen harmonieus hoewel sociale, religieuze en etnische spanningen vroeger en vandaag hebben geleid tot onderlinge gewelddadigheden.

Chinese Indonesiërs zijn een belangrijke etnische minderheid die in totaal minder dan 5% van de bevolking uitmaakt. Een groot gedeelte van de particuliere handel en rijkdom wordt beheerst door de Chinezen, wat heeft bijgedragen aan anti-Chinese ressentimenten en zelfs tot anti-Chinees geweld. Deze bevolking wordt vaak gezien als zondebok bij economische recessies.

Talen

De officiële nationale taal, het Indonesisch wordt op alle scholen onderwezen en wordt door bijna elke Indonesiër gesproken. Het is de taal van de handel, politiek, media, onderwijs en academici. Het was oorspronkelijk de lingua franca voor het grootste gedeelte van de regio, inclusief Maleisië, en heeft daarom ook veel Maleise invloeden. Het Indonesisch werd voor het eerst gepromoot door de nationalisten in de jaren ’20 en het werd tot officiële landstaal verheven na de onafhankelijkheid in 1945. De meeste Indonesiërs spreken meestal ook een van de honderden lokale talen (bahasa daerah), vaak ook als eerste taal. Van de lokale talen wordt het Javaans het meest gesproken als de taal van de grootste etnische groepering. Aan de andere kant worden op het eiland Nieuw-Guinea meer dan 500 Papoea- en Austronesische talen gesproken, op een totaal van 2,7 miljoen inwoners. Een gedeelte van de oudere inwoners spreekt nog steeds in meer of mindere mate Nederlands.

Religie

Hoewel de religieuze vrijheid is vastgelegd in de Indonesische grondwet worden er slechts zes religies officieel erkend. Dat zijn de islam, het protestantisme, het katholicisme, het hindoeïsme, het boeddhisme en het confucianisme.

Hoewel het geen islamitische staat is, is Indonesië het land met de grootste moslimpopulatie in de wereld. Tijdens de telling van 2000 bleek dat 86,1% van de Indonesiërs zichzelf moslim noemden. Christenen maken 8,7% van de bevolking uit, 3% is hindoe en 1,8% boeddhist of iets anders. De meeste Indonesische hindoes zijn Balinezen en de meeste boeddhisten zijn etnische Chinezen. Hoewel ze minderheidsreligies zijn hebben het hindoeïsme en het boeddhisme nog steeds een belangrijke invloed op de Indonesische cultuur. De islam werd in de 13e eeuw het eerst overgenomen door de Indonesiërs uit het noorden van Sumatra, als gevolg van de invloed van handelaren en tegen de 16e eeuw werd het de belangrijkste religie. Het katholicisme werd door de Portugese kolonisators en missionarissen meegebracht, terwijl het protestantisme werd geïntroduceerd door de Nederlandse calvinistische en lutherse zending tijdens de koloniale periode. Een groot gedeelte van de Indonesiërs, zoals de Javaanse Abangan, de Balinese hindoes en de christelijke Dajaks praktiseren een minder orthodoxe syncretische vorm van hun religie, welke sterk beïnvloed is door de lokale gebruiken en geloof.

Politiek

Indonesië is na de onafhankelijkheid van Nederland (op 17 augustus 1945 uitgeroepen door onder andere Soekarno, door Nederland officieel overgedragen op 27 december 1949) omgevormd tot een republiek. De eerste president van Indonesië, Soekarno, regeerde vanaf die tijd tot aan 1967. Sinds de onafhankelijkheid heeft Indonesië zes presidenten gehad (na Soekarno kwamen Soeharto 1967-1998; Bacharuddin Jusuf Habibie 1998-1999; Abdurrahman Wahid 1999-2001; Megawati Soekarnoputri 2001-2004 en Susilo Bambang Yudhoyono vanaf 2004).

Indonesië is nog steeds bezig met de democratisering van de politiek. Enerzijds is dit moeilijk vanwege het feit dat corruptie diepgeworteld is in het land, anderzijds kan Indonesië als een van de weinige democratieën van Zuidoost-Azië worden beschouwd, gezien het feit dat in Thailand in 2006 een militaire coup plaatsvond. In 2004 is de (zesde) president voor het eerst door het volk gekozen.

Pas sinds 2005 wordt 17 augustus door Nederland als datum van onafhankelijkheid erkend. De toenmalige minister van Buitenlandse Zaken was dat jaar aanwezig op het bevrijdingsfeest in Indonesië. Voor die tijd was Nederland nooit ingegaan op de uitnodigingen.

Bestuurlijke indeling

De bestuurlijke indeling van Indonesië bestaat uit 33 provincies, vijf daarvan hebben een speciale status. Elke provincie heeft zijn eigen wetgevende macht en gouverneur. De provincies worden onderverdeeld in regentschappen (kabupaten) en stadsgemeenten (kota), die weer verder kunnen worden onderverdeeld in onderdistricten (kecamatan). Onderdistricten kunnen op hun beurt weer worden onderverdeeld in dorpsregio’s (kelurahan) en dorpen (desa). Na de implementatie van het regionale autonomieprogramma in 2001 werden de regentschappen de belangrijkste bestuurlijke eenheden die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van overheidstaken. De dorpsregio’s hebben de meeste invloed op het dagelijks leven en behandelen de zaken die spelen op dorps of wijkniveau en worden bestuurd door een gekozen dorpshoofd, de lurah of kepala desa.

De provincies Atjeh, Jakarta, Jogjakarta, Papoea en West-Papoea hebben grotere bestuurlijke privileges en een hogere mate van autonomie dan de andere provincies. De regering van Atjeh bijvoorbeeld heeft het recht om een eigen rechtssysteem toe te passen. In 2003 installeerde deze provincie een vorm van de Sharia, (een islamitisch rechtssysteem). De provincie Jogjakarta kreeg zijn status als erkenning voor zijn centrale rol bij de ondersteuning van de republikeinen tijdens de Indonesische revolutie. Papoea, vroeger ook bekend als Irian Jaya, kreeg een special autonomie status in 2001. Jakarta heeft een speciale status als hoofdstad van het land.

Hieronder volgt een lijst van alle provincies, opgesomd per eilandengroep. (Indonesische namen tussen haakjes als ze anders zijn dan in het Nederlands)
* geeft een provincie aan met een speciale status

  • De Kleine Soenda-eilanden(Nusa Tenggara)
    • Bali
    • Oost-Nusa Tenggara (Nusa Tenggara Timur)
    • West-Nusa Tenggara (Nusa Tenggara Barat)
  • Java(Jawa)
    • Bantam (Banten)
    • Jakarta**
    • Midden-Java (Jawa Tengah)
    • Oost-Java (Jawa Timur)
    • West-Java (Jawa Barat)
    • Jogjakarta* (Yogyakarta)
  • Kalimantan, het Indonesische deel van Borneo
    • Midden-Kalimantan (Kalimantan Tengah)
    • Oost-Kalimantan (Kalimantan Timur)
    • West-Kalimantan (Kalimantan Barat)
    • Zuid-Kalimantan (Kalimantan Selatan)
  • Molukken(Maluku)
    • Molukken (Maluku)
    • Noord-Molukken (Maluku Utara)
  • Nieuw-Guinea(Papua)
    • Papoea* (Papua, voorheen Irian Jaya)
      een voorstel tot splitsing in Papua Barat (West-Papoea), Papua Tengah (Midden-Papoea) en Papua Timur (Oost-Papoea) is buiten de afsplitsing van West-Papoea nog niet van de grond gekomen.
    • West-Papoea (Papua Barat – van 2003 tot 2007: West-Irian Jaya (Irian Jaya Barat) )

Kunst en cultuur

Schilderkunst

Op Bali heeft de schilderkunst een traditie. In het begin van de 20e eeuw kwam men met Europese kunst in aanraking die min of meer gekopieerd werd. Tegenwoordig experimenteren kunstenaars met westerse kunststijlen. De oeroude batiktechniek wordt bijvoorbeeld in Midden-Java steeds meer voor schilderijen toegepast.

Theater, dans en muziek

Op Java kent men de traditionele wayangvoorstelling. Dat is een toneelvoorstelling met poppen, achter een doek. Door verlichting vanachter het doek ziet de toeschouwer een schouwspel dat met speciaal gemaakte wayangpoppen wordt gespeeld. Deze wayangpoppen zijn vaak heel gedetailleerd gemaakt, met veel versieringen. De wayangvoorstelling wordt vaak begeleid door de Gamelan en de wayangverteller spreekt in het (traditioneel-/oud-) Javaans. Het is niet mogelijk om zomaar wayangverteller worden, er is een opleiding voor vereist welke op Java gevolgd kan worden. Tegenwoordig neemt het aantal hedendaagse wayangvertellers dat (traditioneel-/oud-) Javaans spreekt af, en wordt een wayangvoorstelling vaak meer om toeristische redenen gehouden dan om de tradities in ere te houden.

De muziek is gevarieerd, het bekendste is de gamelanmuziek, de traditionele muziek van de Javaanse en Balinese hoven. Ook alle genres van popmuziek zijn vertegenwoordigd, in de nationale taal (Indonesisch) of in lokale talen. Daarnaast zijn er ook populaire genres zoals krontjong, dangdut, campursari, jaipongan en de regionale Pop Java, Pop Sunda en Pop Minang met elk een eigen geluid.

Al in het verre verleden werden belangrijke gebeurtenissen in het leven van mensen door ceremoniële dansen begeleid. Dit wordt ook wel de wayang-dans genoemd. De meisjes op (onder andere) Bali en Java dansen met hele sierlijke bewegingen (Mudra).

Handwerk

Indonesië kent bijzonder smeedwerk. De kunstvaardigheden van de zilversmeden, die filigraanwerk maken, zijn nog steeds in Jogjakarta, West-Sumatra en op Bali te bewonderen.

Veel volken zijn meesters in de kunst van houtbewerking. Aan maskers en beelden wordt vaak magische kracht toegekend. De meeste uitgelezen objecten vervaardigen de Balinese houtsnijders, die hun thema’s meestal aan het hindoeïstische geloof ontlenen. Ook bekend is het houtsnijwerk van de Asmat van Papoea (voorheen Irian Jaya).

Batik, ikat, songket en endek zijn enkele van de bekendere stofbewerkingstechnieken in Indonesië. Vanwege hun schoonheid worden de stoffen overal ter wereld gewaardeerd. Deze stoffen worden ter gelegenheid van bijzondere ceremonies gedragen.

Er worden door het hele land verschillende soorten vliegers gemaakt. Dit kunnen kleine, maar ook grote vliegers zijn. Je kunt ze in allerlei verschillende dieren krijgen, van draken tot aan kikkers.

Bezienswaardigheden

  • Werelderfgoed in Indonesië
  • Tempelcomplex van Borobudur
  • Nationaal park Ujung Kulon
  • Nationaal park Komodo
  • Prambanan-tempels
  • Het terrein van Sangiran, de vroege mens
  • Nationaal park Lorentz
  • Tropisch regenwoud van Sumatra
  • Tobameer op Sumatra
  • Bromo (vulkaan)
  • Vele tempels op Bali
  • Art deco-architectuur in vooral Bandung en Malang

 

Share this blog on:
Facebooktwitter

or even better Follow Wandelgek on:
Facebooktwitter

Comments are closed.